ECLI:NL:CRVB:2026:793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig chauffeur personenvervoer, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.
In bezwaar werd de mate van arbeidsongeschiktheid herberekend en verhoogd, maar na nader medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep werd een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld met beperkingen die resulteerden in een arbeidsongeschiktheid van 34,7%. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en verwierp de stellingen van appellant over onzorgvuldig medisch onderzoek en onvoldoende beperkingen. Appellant stelde dat een deskundige benoemd had moeten worden vanwege tegenstrijdige medische beoordelingen, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevoegd was om beperkingen te herzien en dat de motivering voldoende was. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Appellant krijgt geen WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.