ECLI:NL:CRVB:2026:794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na herziening arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering en werkte als productiemedewerker tot hij zich in 2018 ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV herzag de uitkering per 1 november 2020 en verlaagde deze naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, later bijgesteld naar 35 tot 45% per 19 augustus 2021. Appellant betwistte de mate van beperkingen en stelde dat hij niet geschikt was voor de door het UWV geselecteerde functies.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die een uitgebreid en consistent rapport uitbracht met aanvullende beperkingen, onder meer door artrotische afwijkingen en sociaal-functionele beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam deze beperkingen over in een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt bleven en de arbeidsongeschiktheidsklassen ongewijzigd waren.
Appellant reageerde niet op het deskundigenrapport en de daaropvolgende correspondentie. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies passend waren en dat de verlaging van de WAO-uitkering terecht was. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Raad bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% per 1 november 2020 en 19 augustus 2021.