Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:794

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
22/3061 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering na herziening arbeidsongeschiktheid

Appellant ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering en werkte als productiemedewerker tot hij zich in 2018 ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV herzag de uitkering per 1 november 2020 en verlaagde deze naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, later bijgesteld naar 35 tot 45% per 19 augustus 2021. Appellant betwistte de mate van beperkingen en stelde dat hij niet geschikt was voor de door het UWV geselecteerde functies.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die een uitgebreid en consistent rapport uitbracht met aanvullende beperkingen, onder meer door artrotische afwijkingen en sociaal-functionele beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam deze beperkingen over in een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt bleven en de arbeidsongeschiktheidsklassen ongewijzigd waren.

Appellant reageerde niet op het deskundigenrapport en de daaropvolgende correspondentie. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies passend waren en dat de verlaging van de WAO-uitkering terecht was. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De Raad bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% per 1 november 2020 en 19 augustus 2021.

Uitspraak

22/3061 WAO
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 september 2022, 21/3305 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WAO-uitkering van appellant per 1 november 2020 heeft herzien en verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en per 19 augustus 2021 heeft verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WAOuitkering per beide data terecht heeft verlaagd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 juli 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
De Raad heeft het onderzoek heropend en M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 12 oktober 2024 rapport uitgebracht. Appellant en het Uwv hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 8 november 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2.
Appellant heeft daarnaast gewerkt als productiemedewerker voor 38 uur per week. De mate van arbeidsongeschiktheid werd met verrekening van de inkomsten van appellant uitgekeerd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 2 juli 2018 heeft appellant zich ziekgemeld voor het werk als productiemedewerker met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van de eindewachttijdbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 augustus 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk als productiemedewerker. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 47,39%. Het Uwv heeft bij besluit van 14 oktober 2020 de WAO-uitkering die appellant ontving per 1 november 2020 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en appellant over de periode van 29 juni 2020 tot en met 31 oktober 2020 op ambtshalve gronden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
1.3.
Bij besluit van 18 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 19 augustus 2021 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nieuwe FML van 2 juni 2021 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 37,09%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de verlaging van de WAO-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 18 van Pro de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
Gelet op bij de Raad op grond van de voorliggende medische informatie bestaande twijfel over de juistheid van het standpunt van het Uwv hierover, heeft de Raad het noodzakelijk geacht te worden geadviseerd door een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige. Volgens de deskundige was er gelet op de gebleken artrotische veranderingen in de handen vanaf december 2020 wel grond voor een zwaardere beperking op het item repeterend kracht zetten. Vanwege de gebleken artrotische afwijkingen in de lage rug heeft de deskundige aanleiding gezien voor een aanvullende beperking bij het item frequent buigen. Om energetische redenen heeft de deskundige ook het langdurig boven schouderhoogte werken en repeterend reiken beperkt geacht. Ook diende de beperking bij het item knielen/ hurken aangepast te worden. Bij allergie kon alleen een berkenpollenallergie aangegeven worden, een andere allergie is niet geobjectiveerd. Tot slot was er volgens de deskundige ten aanzien van het sociaal functioneren, gelet op de aanwezige informatie, grond om betrokkene te beperken op het hanteren van emotionele problemen van derden, intensieve samenwerking en intensieve klant- en of patiëntcontacten teneinde oplopende irritaties en eventuele emotionele uitbarstingen in reactie daarop te voorkomen. De deskundige heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de urenbeperking van acht uur per week en 40 uur per week en niet ’s nachts werken. Als voldoende rekening gehouden wordt met de genoemde (aanvullende) beperkingen in het functioneren was er geen medische onderbouwing om een aanvullende urenbeperking om energetische redenen aan de orde te achten.
4.3.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellant op 4 oktober 2024 onderzocht. Zij heeft de beschikbare medische gegevens uit het dossier bij haar beoordeling betrokken.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle door de deskundige gestelde aanvullende beperkingen overgenomen en deze neergelegd in een nieuwe FML van 29 november 2024, geldig vanaf 1 november 2020, en een nieuwe FML eveneens van 29 november 2024, geldig vanaf 19 augustus 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat zowel de per 1 november 2020 als per 19 augustus 2021 geselecteerde functies geschikt blijven voor appellant en de arbeidsongeschiktheidsklassen daarom niet wijzigen. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 39,81% per 1 november 2020 en op 40,86% per 19 augustus 2021.
4.5.
Appellant heeft ondanks dat verschillende malen is gerappelleerd, zowel schriftelijk als telefonisch, niet gereageerd op het deskundigenrapport en op de reactie van het Uwv daarop.
4.6.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd. Dit betekent dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2020 heeft vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% en per 19 augustus 2021 ongewijzigd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.
6. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 november 2024 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 november 2024 is voorzien van een toereikende onderbouwing, bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,-) en op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 3.736,-. Er is geen grond voor een veroordeling van het Uwv in de overige geclaimde kosten. Het opvragen door gemachtigde van medische informatie bij de huisarts, betreft geen voor vergoeding in aanmerking komende procesbehandeling als genoemd in de bijlage van het Bpb. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen om de kosten van een factuur van € 2.147,75 van 22 september 2022 van het Expertise instituut te vergoeden, omdat een rapport van rond die datum van het Expertise Instituut niet is ingebracht.
7. Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) D.M.A. van de Geijn