ECLI:NL:CRVB:2026:801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/947 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als medewerker klantenservice

Appellante was werkzaam als medewerker klantenservice en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) geschikt werd geacht voor haar eigen werk of passend werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de conclusies van de verzekeringsartsen overtuigend vond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie, met name de combinatie van hevige pijnklachten en psychische klachten, onvoldoende was meegewogen, en dat zij door ernstige vermoeidheid en concentratieproblemen niet in staat was haar werk te verrichten. Zij bracht aanvullende medische stukken in en verzocht om benoeming van een deskundige.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De medische beoordeling door het UWV was zorgvuldig en volledig, en de aanvullende stukken gaven geen aanleiding tot twijfel over de belastbaarheid op de datum in geding. De Raad bevestigde dat onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij geschikt is voor haar eigen werk als medewerker klantenservice.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/947 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 april 2025, 24/4271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 29 mei 2024 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat haar eigen werk te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker klantenservice bij [naam B.V.] voor 26,90 uur per week. Op 13 december 2022 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Het dienstverband is vervolgens van rechtswege geëindigd. Het Uwv heeft appellante met ingang van 16 januari 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een ZW-beoordeling bij einde van het dienstverband heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellante nog steeds arbeidsongeschikt geacht, maar wel geconcludeerd dat verbetering in de functionele mogelijkheden valt te verwachten.
1.2.
In het kader van de Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft de verzekeringsarts aanvullend onderzoek verricht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 november 2023. In deze FML zijn meerdere beperkingen opgenomen voor zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 januari 2024 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.3.
Op 20 november 2023 is appellante gaan werken als medewerkster klantenservice bij de stichting het [naam stichting] . Dit dienstverband is per 23 november 2023 beëindigd.
1.4.
Op 19 februari 2024 heeft appellante zich per 24 november 2023 ziekgemeld. Het Uwv heeft appellante per 27 november 2023 in aanmerking gebracht voor een ZWuitkering. In het kader van een ZW-beoordeling heeft appellante op 30 april 2024 het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante psychisch en lichamelijk onderzocht. Op 3 mei 2024 en 29 mei 2024 heeft zij nog telefonisch contact gehad met deze arts. Bij besluit van 18 juli 2024 heeft het Uwv de ZWuitkering van appellante met ingang van 29 mei 2024 beëindigd. Appellante is belastbaar geacht in overeenstemming met de eerder vastgestelde FML van 3 november 2023 en per 29 mei 2024 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies.
1.5.
Bij besluit van 15 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 november 2024 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante geschikt is voor haar eigen werk als medewerker klantenservice bij het [naam stichting] voor 20 tot 24 uur per week.
Uitspraak van de rechtbank
2.1
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen reden is te oordelen dat het uitgevoerde onderzoek door de primaire arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig of onvoldoende volledig is geweest.
2.2.
Verder heeft de rechtbank de rapporten van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend geacht en heeft geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de conclusies. Wat betreft de belastbaarheid van appellante op 29 mei 2024 – de datum in geding – heeft de primaire arts aangenomen dat appellante bekend is met knieklachten, spanningsklachten en gewrichtspijn en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze visie gedeeld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is appellante hiermee in staat het werk als medewerker klantenservice bij het [naam stichting] gedurende 24 uur per week te verrichten. Hierbij is betrokken dat uit de informatie van de reumatoloog blijkt dat de klachten van appellante zijn geduid als fibromyalgie, naast een milde artrose van de linkerknie. De reumatoloog heeft geadviseerd de medicatie te wisselen, te blijven bewegen en cognitieve gedragstherapie en gespecialiseerde fysiotherapie te gaan volgen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet appellante in beweging blijven, maar niet overbelasten, en is zij aangewezen op licht fysiek werk. Het werk dat appellante zou gaan doen bij het [naam stichting] was licht fysiek werk gedurende 20-24 uur per week, verdeeld over minimaal drie dagen per week. Het gaat om klantencontacten telefonisch, per e-mail of via andere digitale kanalen.
2.3
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in de conclusie dat de belasting van dit werk past bij de belastbaarheid van appellante. Appellante heeft weliswaar gesteld dat haar medische situatie door het Uwv is onderschat, maar zij heeft geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv niet juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder terecht het werk bij het [naam stichting] als maatstaf arbeid voor appellante genomen, omdat hier uitgegaan moet worden van de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid en niet van de tijdens de EZWb geduide functies. De rechtbank heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2019. [1]
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig dan wel incompleet is geweest, omdat te weinig rekening is gehouden met de combinatie van haar hevige pijnklachten en haar psychische klachten. Volgens appellante is sprake van ernstige vermoeidheid en concentratieproblemen als gevolg van deze combinatie. Ook is volgens haar onvoldoende rekening gehouden met haar energetische beperkingen. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op de adviezen van de reumatoloog waaruit blijkt dat cognitieve gedragstherapie wordt geadviseerd. Appellante acht zich door het energietekort niet in staat de werkzaamheden als medewerkster klantenservice te verrichten. In hoger beroep heeft appellante nog nadere medische informatie ingebracht. Het gaat deels om eerder ingebrachte informatie en deels om nieuwe informatie, waaronder een brief van de reumatoloog van 10 september 2025, brieven van het centrum voor slaapgeneeskunde van 28 oktober 2025 en 13 februari 2026, een brief van PsyM van 17 november 2025, een brief van Van Tiel Advies van 13 maart 2026, een e-mail van haar ambulant begeleiders van 9 en 16 maart 2026. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv dat appellante in staat was de functie van medewerkster klantenservice bij het [naam stichting] te verrichten. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
5.3.
De in hoger beroep overgelegde stukken geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Deels waren deze stukken al bekend en door het Uwv betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Voor het overige hebben deze stukken betrekking op de medische situatie van appellante na de datum in geding en geven geen aanleiding voor twijfel omtrent de medische situatie van appellante, zoals het Uwv die heeft vastgesteld op de datum in geding.
5.4.
Er is dan ook geen aanleiding voor twijfels bij de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv, zodat er evenmin aanleiding is een deskundige te benoemen. Het verzoek van appellante wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2866.