ECLI:NL:CRVB:2026:802

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/353 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waarop de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 17,56%.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit zorgvuldig en inhoudelijk juist was. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, veroorzaakt door een nekhernia, pijnklachten, slaapapneu en vermoeidheid, onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet geschikt was voor de geselecteerde functies.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd. De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/353 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2025, 24/3264 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 16 oktober 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als tomatendraaier voor 40 uur per week. Op 18 oktober 2021 heeft hij zich vanuit een werkloosheidssituatie ziekgemeld met pijnklachten aan zijn beide handen, nek en schouders. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 oktober 2023 Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 18 oktober 2023 geweigerd appellant met ingang van 16 oktober 2023 (de datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Appellant heeft tegen het besluit van 18 oktober 2023 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na dossieronderzoek en een lichamelijk en psychisch onderzoek een nieuwe FML, gedateerd op 17 juli 2024, op gesteld. In deze FML zijn verdergaande beperkingen opgenomen voor het gebruik van de hand en vingers en is appellant aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat niet alle functies geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de volgende functies ten grondslag gelegd aan de schatting: parkeerwachter (SBC-code 261011), medewerker logistiek (SBCcode 111220) en medewerker copyshop (SBC-code 211031) en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 17,56%. Bij besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk juist is. De beperkingen van appellant zijn op juiste wijze weergegeven in de FML van 17 juli 2024 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende gemotiveerd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die veroorzaakt worden door de nekhernia en de forse pijnklachten in zijn armen. Drs W. ter Woerds, anesthesioloog/pijnspecialist, heeft vastgesteld dat er sprake is een cervicaal radiculair syndroom. Hoewel meermaals getracht is om deze klachten onder controle te krijgen met medicatie, is er nog steeds geen verbetering opgetreden. Ook leed appellant op de datum in geding aan slaapapneu. Hierdoor (en door de pijnklachten) sliep hij erg slecht en was hij vermoeid. Ook zijn concentratie was verstoord en had hij last van stemmingsproblemen. In hoger beroep heeft appellant twee brieven van orthopedisch chirurg dr. N.C. Schepel, van 16 juli 2025 en 7 januari 2026, ingebracht, waaruit blijkt dat appellant in januari 2026 is geopereerd aan zijn schouder. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij niet geschikt is voor de geselecteerde functies.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De primaire verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep waren op de hoogte van de bij appellant aanwezige pijnklachten en met die pijnklachten is rekening gehouden in de FML van 17 juli 2024. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld, niet met medische stukken onderbouwd. De brieven van dr. Schepel dateren van ruim na de datum in geding en geven geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met het feit dat appellant ten tijde van de datum in geding al schouderklachten had, is rekening gehouden en daarvoor zijn ook beperkingen opgenomen in de FML.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook de slaapproblemen en de vermoeidheid betrokken bij de beoordeling en inzichtelijk gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om hiervoor beperkingen in de FML op te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat de slaapproblemen van appellant voortkomen uit slechte slaaphygiëne en inactiviteit overdag. Verder is de slaapapneu vrij goed onder controle met het CPAP-apparaat. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingediend. Er bestaat dan ook geen aanleiding het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De arbeidskundige gronden slagen evenmin. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 9 augustus 2024 voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Daarnaast is appellant uitgegaan van de beperkingen zoals hij deze ervaart en niet van de beperkingen zoals die in de FML van 17 juli 2024 zijn opgenomen en die, zoals in 5.2 is overwogen, juist is.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in de aangevallen uitspraak de rechtbank onder overweging 8 heeft geconcludeerd dat de WIA-uitkering terecht per 11 april 2023 is beëindigd. De Raad neemt aan dat dit een vergissing is en dat de rechtbank heeft bedoeld dat appellant per 16 oktober 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.G.J. van Eck