ECLI:NL:CRVB:2026:803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/1161 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid na onvoldoende motivering tijdsdrukbeoordeling

Appellant, een voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, werd door het UWV per 2 maart 2022 arbeidsongeschikt verklaard voor 54,72%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. Appellant stelde dat hij vanwege psychische beperkingen, met name het niet kunnen werken onder tijdsdruk, niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond wegens onvoldoende motivering van het UWV over de tijdsdruk.

Het UWV stelde in het bestreden besluit dat appellant wel met enige tijdsdruk kon werken, gesteund op rapporten van verzekeringsartsen en een Duitse psychiater. De rechtbank oordeelde echter dat deze motivering onvoldoende was en dat het UWV niet had voldaan aan de opdracht om nadere medische toelichting te verkrijgen of appellant zelf te onderzoeken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV het motiveringsgebrek niet heeft hersteld. De Duitse arts definieert tijdsdruk als een taak die op een vast moment moet zijn afgerond, en stelt dat appellant geen werkzaamheden onder tijdsdruk kan verrichten. De geselecteerde functies vereisen echter wel tijdsdruk, waardoor deze niet geschikt zijn voor appellant.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 2 maart 2022 en bepaalt dat appellant recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en appellant krijgt recht op een WGA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/1161 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2025, 23/7385 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 2 maart 2022 heeft vastgesteld op 54,72%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en wel met name voor het onder tijdsdruk werken. Daarom kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Duitse arts heeft in zijn rapport van 22 maart 2021 en in zijn aanvulling daarop van 29 augustus 2024 immers te kennen gegeven dat appellant slechts werkzaamheden kan verrichten ‘ohne Zeitdruck’. De Raad volgt het standpunt van appellant en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingestuurd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant, die werkzaam was als internationaal vrachtwagenchauffeur, heeft zich op 12 januari 2009 ziekgemeld met psychische klachten. Deze psychische klachten hielden verband met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die was ontstaan door zijn ervaringen als beroepsmilitair in [gebied] in 1999. Vanaf 10 januari 2011 ontving appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), naar een mate van arbeidsongeschiktheid 100% omdat sprake was van een situatie van Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM). Per 10 februari 2012 is deze uitkering omgezet naar een WGAloonaanvullingsuitkering. Vervolgens hebben diverse herbeoordelingen plaatsgevonden. In 2012 en in 2013 is daarbij onveranderd een GBM-situatie aangenomen. Bij een herbeoordeling in 2015 heeft een verzekeringsarts wel benutbare mogelijkheden aanwezig en daarom op 26 oktober 2015 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Omdat een arbeidsdeskundige geen passende functies heeft kunnen selecteren, is de mate van arbeidsongeschiktheid echter ongewijzigd 100% gebleven. In 2018 heeft opnieuw een herbeoordeling plaatsgevonden waarbij de WIAuitkering ongewijzigd is voortgezet, omdat onvoldoende functies konden worden geselecteerd.
1.3.
In 2021 heeft weer een nieuwe herbeoordeling plaatsgevonden. Omdat appellant in Duitsland woonde is, net zoals dat ook was gebeurd bij eerdere herbeoordelingen, een zogenoemd Ärztliches Gutachten (E 213-formulier) opgevraagd bij het Duitse orgaan. De Duitse zenuwarts/psychiater dr. H. Hörnlein-Rummel heeft op 22 maart 2021 gerapporteerd. Volgens Hörnlein-Rummel kan appellant nog licht tot middelzware fysieke arbeid verrichten en normaal geestelijk werk verrichten zonder lezen en schrijven en zonder tijdsdruk (‘ohne Zeitdruck’), niet in stukloon, niet in nacht of wisseldiensten, niet met emotionele of andere stressbelastende werkzaamheden, gedurende drie tot zes uur per dag. Verzekeringsarts M.J.H. Herpers heeft na bestudering van het rapport van HörnleinRummel en de overige stukken in het dossier geconcludeerd dat appellant nog geschikt is voor lichte tot middelzware arbeid, waarbij rekening wordt gehouden met beperkingen voor veelvuldig lezen en schrijven, tijdsdruk, nacht- en onregelmatige diensten, omgaan met emoties en stress, gedurende drie tot zes uur per dag. Hij heeft de beperkingen neergelegd in een FML van 22 november 2021. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 26 januari 2022 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant 58,36% arbeidsongeschikt is.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 2 maart 2022 vastgesteld dat appellant met ingang van 2 maart 2022 58,36% arbeidsongeschikt is en dat de hoogte van zijn WGAloonaanvullingsuitkering (tot 1 april 2024) niet wijzigt.
1.5.
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 54,72%. Hieraan liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep G.M.J. Hanssen van 8 maart 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 maart 2023. Deze verzekeringsarts – die het dossier heeft bestudeerd en informatie van de behandelend artsen in zijn heroverweging heeft betrokken – heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de primaire verzekeringsarts Herpers of de FML van 22 november 2021 te wijzigen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant geschikt geacht voor de eerder door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies, het maatmaninkomen en de maatmanomvang gewijzigd vastgesteld en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 54,72%. De arbeidsdeskundige heeft de signaleringen bij de geselecteerde functies toegelicht.
1.6.
Bij uitspraak van 11 augustus 2023 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 maart 2023 gegrond verklaard omdat dit besluit niet berust op een deugdelijke medische beoordeling. Volgens de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd waarom appellant bij het uitvoeren van eenvoudige taken wel kan werken met deadlines of productiepieken. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het rapport van de Duitse arts Hörnlein-Rummel volgt dat appellant snel geïrriteerd raakt en niet onder tijdsdruk kan werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep [1] heeft in zijn aanvullende rapport van 25 juli 2023 gesteld dat het begrip tijdsdruk relatief is en dat van appellant verwacht wordt dat hij dit wel kan bij eenvoudige taken. De rechtbank heeft dit echter onvoldoende gemotiveerd geacht. Dit volgt namelijk niet als zodanig uit het rapport van de Duitse arts. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant zelf niet gezien op een spreekuur, zodat hij ook geen conclusie kan trekken op basis van zijn eigen bevindingen. Het lag volgens de rechtbank op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om bij de Duitse arts na te vragen wat bedoeld werd met het niet kunnen werken onder tijdsdruk, juist nu het een relatief begrip is, of om appellant zelf te onderzoeken. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in de FML en in het arbeidskundige rapport van 30 december 2015 wordt gezegd dat er geen conflicthantering en geen enkele vorm van druk aanwezig mag zijn. Gesteld werd in dat rapport dat appellant geen druk aan kon, omdat sprake was van veel ingehouden angst en agressie. Verder werd gesteld dat er maar weinig hoeft te gebeuren of appellant werd verbaal agressief en dat dit een realistische functieduiding in de weg stond
.Hoewel de medische situatie van appellant in 2018 is verbeterd op het punt van agora- en sociofobie, lijkt de toestand van appellant op dit punt niet te zijn verbeterd. In de Duitse stukken staat nog steeds dat appellant snel geïrriteerd raakt en niet onder tijdsdruk kan werken. Ook daardoor heeft de rechtbank getwijfeld aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat tijdsdruk zou betekenen dat er wel enige druk aanwezig kan zijn als de werkzaamheden eenvoudig van aard zijn. Verder blijkt onvoldoende duidelijk waarom appellant tot 2021 niet met gangbare arbeid te belasten was en daarna wel, terwijl zijn beperkingen niet zijn veranderd. De rechtbank realiseert zich dat het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem tussentijds is gewijzigd en geactualiseerd, waarbij het voor kan komen dat bij een gelijkblijvende FML na verloop van enige tijd wel functies gevonden worden die passen bij iemands beperkingen. Echter, in dit geval gaat het om gangbare functies die in 2015 en in 2018 ook al bestonden. Volgens de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom appellant toen op basis van dezelfde beperkingen geen gangbare arbeid zou kunnen verrichten, en nu wel.
1.7.
De rechtbank heeft het besluit van 23 maart 2023 vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak.
1.8.
Het Uwv heeft berust in de uitspraak van 11 augustus 2023. In het kader van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, hebben verzekeringsarts bezwaar en beroep Hanssen op 29 september 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 13 oktober 2023 gerapporteerd. Volgens verzekeringsarts Hanssen – die appellant niet op spreekuur heeft gezien – blijken uit de vergaarde informatie voldoende aanwijzingen om te stellen dat appellant wel degelijk in staat is om met een bepaalde tijdsdruk te werken, bijvoorbeeld in eenvoudige taken en/of omstandigheden. Ook uit het door Hörnlein-Rummel opgetekende dagverhaal blijkt volgens Hanssen dat appellant met enige tijdsdruk kan omgaan zoals het verzorgen van de kinderen, ervoor zorgen dat zij op tijd de deur uit zijn, zich aankleden, ontbijten en bereiden van eten en het op tijd naar bed brengen van de kinderen. Verder lijkt het erop dat appellant deze taken met name zelfstandig verricht omdat zijn echtgenote immers pas nadien thuis komt. Nu dit blijkt uit het dagverhaal, heeft hij niet ingezien dat appellant op geen enkele wijze een bepaalde tijdsdruk zou kunnen hanteren. Verder heeft hij overwogen om aan de Duitse arts Hörnlein-Rummel te vragen om enige verduidelijking te verkrijgen maar heeft hij daarvan afgezien omdat het niet aan de Duitse arts maar aan de oordelend verzekeringsarts is om de belastbaarheid van appellant in te schatten. Een verzekeringsarts moet immers altijd motiveren waarom hij wel of niet een bepaalde beperking aan de orde vindt. Daarbij is het volgens Hanssen voor hem mogelijk dat af te wijken van wat de Duitse arts stelt. Volgens Hanssen is voldoende te onderbouwen waarom toch wel enige mate van omgaan met tijdsdruk te mogelijk is. Ook wanneer, even bij aanname, in het Gutachten zou worden gesteld dat werken met enige tijdsdruk volledig onmogelijk zou zijn, zou dat in dit niet tot een verandering van de inschatting van de belastbaarheid leiden, aldus Hanssen.
1.9.
Het Uwv heeft vervolgens bij beslissing op bezwaar van 28 november 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2022 opnieuw ongegrond verklaard.
1.10.
Tegen het bestreden besluit van 28 november 2023 heeft appellant beroep ingesteld.
1.11.
Hangende het beroep heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Hanssen de Duitse arts Hörnlein-Rummel bij brief van 6 augustus 2024 toch gevraagd nader toe te lichten wat hij precies heeft bedoeld met ‘zonder tijdsdruk’ (‘ohne Zeitdruck’).
1.12
Bij brief van 29 augustus 2024 heeft Hörnlein-Rummel de gevraagde toelichting gegeven.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 28 november 2023 ongegrond verklaard. Omdat het in de eerdere uitspraak door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek niet al in het bestreden besluit, maar pas in de beroepsfase (volledig) is geheeld, heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant van € 2.721,- en bepaald dat appellant het door appellant betaalde griffierecht van € 50,- moet vergoeden.
2.2.
Volgens de rechtbank heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Hanssen in zijn rapport van 29 september 2023 niet nader omschreven uit welke aanwijzingen, naast het dagverhaal, blijkt dat appellant de tijdsdruk aankan die nodig is om eenvoudige taken te verrichten. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt vloeit niet logisch voort uit de overige bevindingen in het rapport.
2.3.
In beroep heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Hanssen nader gerapporteerd op 4 september 2024. In dit rapport heeft hij verwezen naar een op zijn verzoek opgestelde nadere toelichting van de Duitse arts Hörnlein-Rummel van 29 augustus 2024. Deze Duitse arts heeft te kennen gegeven dat tijdsdruk een relatief begrip is, dat er geen objectieve definitie van tijdsdruk bestaat in verband met psychische aandoeningen en dat het uiteindelijk gaat om een individuele beoordeling. Hij gaat daarbij uit van het principe dat bij iemand met een zware psychische stoornis, in het algemeen sprake is van arbeidsvermogen van minder dan drie uur per dag en dat als het gaat om minder uitgesproken bevindingen, het urenaantal hoger ligt. De rechtbank heeft hieruit begrepen dat waar in het rapport van de Duitse arts van 22 maart 2021 staat dat appellant snel geïrriteerd raakt en niet onder tijdsdruk kan werken, dit niet in die zin kan worden gelezen dat appellant geen enkele werkdruk aankan. Met de aanvullende toelichting van de Duitse arts heeft de rechtbank het motiveringsgebrek dan ook geheeld geacht. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat uit het rapport zelf al blijkt dat de situatie van appellant is verbeterd ten opzichte van die van 2015, toen hij in het geheel geen druk aankon. Ook wordt in het Gutachten lichte arbeid tot middelzware arbeid voor mogelijk gehouden voor drie tot zes uren per dag. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen beperking van vier uur per dag sluit daarop aan. Dat betekent dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld – onder meer onder verwijzing van het in beroep opgestelde rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 oktober 2023 – dat het arbeidskundige deel van het bestreden besluit berust op een goede grondslag.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak van 11 augustus 2023 heeft beslist dat het beroep gegrond is en dat het Uwv opnieuw op het bezwaar tegen het primaire besluit van 2 maart 2022 dient te beslissen. Nu appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld is de omvang van het geschil beperkt tot de vraag of het Uwv heeft gedaan wat de rechtbank heeft opgedragen. In het bestreden besluit heeft het Uwv zijn eerdere standpunt herhaald en heeft daarmee niet beslist over wat de rechtbank in de uitspraak van 11 augustus 2023 heeft overwogen. Verder heeft het Uwv in de aanvullende toelichting van 29 augustus 2024 van Hörnlein-Rummel ten onrechte een bevestiging gezien van zijn standpunt dat een beetje tijdsdruk wel mogelijk is. Volgens appellant heeft Hörnlein-Rummel juist te kennen gegeven dat geen tijdsdruk mogelijk is. Nu in de geselecteerde functies met tijdsdruk wordt gewerkt, zijn die voor appellant niet geschikt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van 29 september 2023 en 4 september 2024 herhaald dat appellant wel met enige tijdsdruk kan werken en dat appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 54,72% per 2 maart 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.2.
In de uitspraak van 11 augustus 2023 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellant bij het uitvoeren van eenvoudige taken wel kan werken met deadlines of productiepieken en dat het op de weg van de verzekeringsarts had gelegen om navraag te doen bij de Duitse arts over wat hij heeft bedoeld met het niet kunnen werken onder tijdsdruk óf om appellant zelf te onderzoeken. Het Uwv heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak van 11 augustus 2023. Daarmee is komen vast te staan dat het besluit van 23 maart 2023 niet berustte op een deugdelijke medische beoordeling en onvoldoende gemotiveerd was.
5.3.
In hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv met het bestreden besluit heeft gedaan wat de rechtbank in de uitspraak van 11 augustus 2023 aan het Uwv heeft opgedragen. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en stelt vast dat de door de rechtbank geconstateerde gebreken niet zijn hersteld.
5.4.1.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant na de uitspraak van 11 augustus 2023 niet (meer) zelf heeft onderzocht.
5.4.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn brief van 6 augustus 2024 aan Hörnlein-Rummel gevraagd uitsluitsel te geven over de vraag wat hij precies heeft bedoeld met zijn formulering ‘zonder tijdsdruk’ (ohne Zeitdruck). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij enige achtergrondinformatie gegeven in die zin dat hij melding heeft gemaakt van de vertaalslag (naar de FML) die verzekeringsarts Herpers heeft gemaakt, de discussie die daarover met appellant en zijn gemachtigde heeft plaatsgevonden, de visie van verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Malde en het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan deze achtergrondinformatie echter geen concrete vragen gekoppeld. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bijvoorbeeld niet gevraagd of in de visie van Hörnlein-Rummel enige tijdsdruk wel mogelijk zou zijn bij eenvoudige werkzaamheden.
5.4.3.
Hörnlein-Rummel heeft te kennen gegeven dat de Duitse rechter tijdsdruk definieert als een ‘activiteit of taak die op een vast moment moet zijn beëindigd’ (‘Tätigkeit oder Aufgabe, die zu einem festen Zeitpunkt beendet sein muss’). Hij heeft daarbij het voorbeeld gegeven van iemand die iets moet repareren. Als die reparatie niet op een bepaald moment klaar moet zijn is er geen tijdsdruk en als de reparatie wel op een bepaald moment klaar moet zijn is er wel tijdsdruk, waarbij die tijdsdruk groter of kleiner kan zijn naar gelang de tijd die hij krijgt. Dit kan niet anders begrepen worden dan dat Hörnlein-Rummel de definitie van de Duitse rechter en de uitleg als in het door hem gegeven voorbeeld volgt. Dat Hörnlein-Rummel vervolgens is ingegaan op de noodzaak van een individuele beoordeling maakt dit niet anders. Wat Hörnlein-Rummel heeft gesteld over minder dan drie, drie tot zes respectievelijk meer dan zes uur per dag kunnen werken moet worden gezien in het licht van het Duitse systeem, waarin dit onderscheid in aantallen uren relevant is; het zegt niets over de tijdsdruk waaronder in deze uren wordt gewerkt.
5.4.4.
Anders dan de rechtbank ziet de Raad in de nadere toelichting van HörnleinRummel op geen enkele manier steun voor het standpunt van het Uwv dat enige tijdsdruk wel mogelijk is en dan met name als het gaat om lichte werkzaamheden. De door Hörnlein-Rummel gegeven definitie is duidelijk en het voorbeeld dat hij heeft gegeven is helder. Cruciaal is of het gaat om werkzaamheden die op een bepaald moment klaar moeten zijn. Is dit het geval, dan is er tijdsdruk. Hörnlein-Rummel heeft in zijn rapport van 22 maart 2021 gezegd dat appellant aangewezen is op werkzaamheden zonder tijdsdruk. Hij heeft niet gezegd dat een lichte/beperkte tijdsdruk wel mogelijk was en in zijn nadere toelichting heeft hij zijn standpunt niet in die zin genuanceerd. Dat de omschrijving van tijdsdruk als ‘activiteit of taak die op een vast moment moet zijn beëindigd’ mogelijk niet eenvoudig is te vertalen naar een FML, ontslaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er niet van dat wel te doen.
5.5.
Wat is overwogen in 5.3. en 5.4. leidt tot de slotsom dat als uitgangspunt heeft te gelden dat voor appellant bij het verrichten van arbeid geen tijdsdruk mogelijk is in de zin van een activiteit of een taak die op een vast moment moet zijn beëindigd. Vastgesteld wordt dat in alle (vijf) door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies sprake is van tijdsdruk in de vorm van een concreet genoemd te bereiken resultaat
(per dag of per uur)zoals aantal printplaten, apparaten en deelproducten, aantal schoon te maken kamers, aantal in te leggen of in te pakken pallets met plano’s en een aantal te vermaken kledingartikelen. Dit houdt in dat de geselecteerde functies voor appellant op de datum in geding van 2 maart 2022 niet geschikt waren. Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak slaagt dan ook.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 2 maart 2022 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 2 maart 2022 ongewijzigd recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten, voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt).
7. Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissingen van de rechtbank over de vergoeding van de proceskosten in beroep en het in beroep betaalde griffierecht;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 28 november 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • herroept het besluit van 2 maart 2022 en bepaalt dat appellant met ingang van 2 maart 2022 ongewijzigd recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J. Bonnema

Voetnoten

1.Dit is niet verzekeringsarts bezwaar en beroep Hanssen geweest, die verder in deze zaak heeft gerapporteerd, maar R. van Malde.