ECLI:NL:CRVB:2026:808

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
24/432 PW-PV-S
Type
Uitspraak
Uitkomst
Schikking
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bijstandsprocedure

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen betreffende beëindiging, intrekking en toekenning van algemene en bijzondere bijstand. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten voor zover zij de bijzondere bijstand betroffen. Het college stelde incidenteel hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl verzoekster hoger beroep instelde tegen beide uitspraken en tevens een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn indiende.

Partijen bereikten op 19 mei 2026 een schikking over het geschil, waarbij het hoger beroep werd ingetrokken met uitzondering van het verzoek om immateriële schadevergoeding. De Raad beoordeelde dat de redelijke termijn voor de gehele procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal vier jaar mocht bedragen, maar dat de procedure in deze zaak bijna zeven maanden langer had geduurd.

De overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase en kwam daarmee volledig voor rekening van de Staat. De Raad kende daarom een schadevergoeding toe van €1.000, gebaseerd op het vaste tarief van €500 per half jaar overschrijding. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 voor de verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en €467 proceskosten.

Uitspraak

24/432 PW-PV-S, 24/440 PW-PV-S, 24/441 PW-PV-S
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Zitting hebben: J.T.H. Zimmerman als voorzitter, E.C.E. Marechal en C.F.E. van OldenSmit als leden
Griffier: S. Ploum
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 mei 2026. Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467,-.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Met een besluit van 8 oktober 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 maart 2022, heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college) de algemene bijstand en bijzondere bijstand van verzoekster met ingang van 8 oktober 2021 beëindigd. Met een besluit van 26 oktober 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 maart 2022, heeft het college de algemene bijstand en bijzondere bijstand van verzoekster over de periode van 1 juli 2021 tot en met 7 oktober 2021 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand en bijzondere bijstand van haar teruggevorderd.
2. Met een besluit van 16 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 mei 2022, heeft het college aan verzoekster met ingang van 9 oktober 2021 algemene en bijzondere bijstand toegekend.
3. Tegen de besluiten van 31 maart 2022 heeft verzoekster beroep ingesteld. De rechtbank Limburg heeft die beroepen met een uitspraak van 25 januari 2024 gegrond verklaard en de besluiten van 31 maart 2022 vernietigd voor zover deze zien op de bijzondere bijstand en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen.
4. Tegen het besluit van 30 mei 2022 heeft verzoekster ook beroep ingesteld. De rechtbank Limburg heeft met een uitspraak van 24 januari 2024 het beroep ongegrond verklaard.
5. Tegen de beide uitspraken heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. Zij heeft ook nog verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het college heeft tegen de uitspraak van 25 januari 2024 incidenteel hoger beroep ingesteld.
6. Partijen hebben op 19 mei 2026 de Raad laten weten dat zij op die datum overeenstemming hebben bereikt over wat hen verdeeld houdt en daartoe een schikking hebben getroffen. Verzoekster heeft het hoger beroep ingetrokken met handhaving van het ingediende verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college heeft het incidenteel hoger beroep ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase en volledig ten laste komt van de Staat. Het geschil gaat dus alleen nog over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [1]
8. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [2]
9. De procedures over de beëindiging, intrekking, terugvordering en toekenning hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand, en zijn gezamenlijk behandeld.
10. In deze procedures is het eerst aangewende rechtsmiddel het op 22 oktober 2021 ontvangen bezwaar tegen het beëindigingsbesluit van 8 oktober 2021. Vanaf de ontvangst van dat bezwaarschrift tot aan de datum waarop het geschil tussen partijen is geëindigd, 19 mei 2026, zijn vier jaar en bijna zeven maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van (2 x € 500,-) € 1.000,-. De overschrijding heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase en komt daarom ten laste van de Staat.
11. Aanleiding bestaat om de Staat ook te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) J.T.H. Zimmerman

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2 en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.