ECLI:NL:CRVB:2026:83
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig schoonmaker, ontving sinds 2006 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordelingen door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het UWV werd vastgesteld dat appellant per 31 december 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop het UWV de uitkering beëindigde.
Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn psychische en orthopedische beperkingen werden onderschat, mede door taalbarrières tijdens het onderzoek en ongeschikte geselecteerde functies. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige de functies adequaat had beoordeeld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische conclusies van de verzekeringsartsen en verwierp de argumenten over taalbeheersing en functiegeschiktheid. De beëindiging van de WIA-uitkering bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.