Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering en heeft meerdere keren een herbeoordeling ondergaan waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld en ongewijzigd bleef. In 2023 verzocht appellant om verhoging van zijn WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de laatste beoordeling. Het Uwv weigerde dit omdat de toename niet medisch onderbouwd was en niet binnen de termijn viel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel sprake was van nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar de Raad volgde dit niet. De verzekeringsarts concludeerde dat de claim niet met medische feiten was onderbouwd.
Het incidenteel hoger beroep van het Uwv, gericht op de vraag of de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden, werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de WAO-uitkering niet heeft verhoogd wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar.