ECLI:NL:CRVB:2026:846

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/1872 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6 EVRMWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op afwijzing Wajong-uitkering ondanks medische informatie

Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd, die door het UWV op 22 juli 2020 werd afgewezen. Na bezwaar en een nieuwe aanvraag in 2022, waarbij medische informatie van de huisarts werd overgelegd, bleef het UWV bij haar standpunt. De rechtbank oordeelde in december 2023 dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat appellante niet was opgeroepen voor een verzekeringsarts, en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen.

Het UWV liet een verzekeringsarts spreekuuronderzoek verrichten, waarna de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaarde en het besluit bevestigde. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij geen licht werk kon verrichten. Zij overlegde nieuwe medische informatie en verzocht om inschakeling van een deskundige.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. De medische rapporten zijn voldoende gemotiveerd en geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Het verzoek om een deskundige wordt afgewezen. Tevens wordt een schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de afwijzing van de Wajong-aanvraag en wijst het verzoek om inschakeling van een deskundige af.

Uitspraak

24/1872 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2024, 22/3103 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 22 juli 2020, waarin het Uwv de aanvraag van appellante om een Wajonguitkering heeft afgewezen. Appellante vindt dat het Uwv van die weigering had moeten terugkomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van dat besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 3 maart 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat de diagnose gegeneraliseerde myasthenia gravis in 2018 is vastgesteld. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat in de toekomst nog kan ontwikkelen. Met een besluit van 22 juli 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante hiertegen is bij besluit van 12 februari 2021 ongegrond verklaard. Aan de afwijzing ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.2.
Met een door het Uwv op 17 februari 2022 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw om een Wajong-uitkering verzocht. Bij de aanvraag is informatie bijgesloten van de huisarts. Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het Uwv appellante te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 22 juli 2020. Het tegen het besluit van 24 februari 2022 gemaakte bezwaar heeft het Uwv met het besluit van 14 april 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien.
1.3.
Bij tussenuitspraak van 28 december 2023 [1] heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, omdat appellante niet is opgeroepen voor het spreekuur van een verzekeringsarts. De rechtbank heeft het Uwv de gelegenheid geboden het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het gebrek toereikend heeft hersteld. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep De Brouwer van 10 april 2024. Deze arts heeft alsnog een spreekuuronderzoek verricht, waarbij de gezondheidssituatie van appellante uitgebreid is besproken. Ook is een lichamelijk onderzoek verricht en medische informatie bij de behandelend neuroloog opgevraagd.
2.2.
De rechtbank is tevens van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om terug te komen van de eerdere afwijzing van de Wajong-aanvraag bij besluit van 22 juli 2020. De rechtbank heeft uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 augustus 2023 en 1 februari 2024 afgeleid dat de aandoeningen en klachten zoals beschreven bij de aanvraag bekend waren in 2020. Er zijn geen nieuwe gegevens naar voren gekomen die destijds in 2020 nog niet bekend hadden kunnen zijn. De rechtbank kan zich verder verenigen met de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de behandeling met immunosuppressieve medicatie bij appellante een positief effect heeft gehad. Dit kan niet alleen worden afgeleid uit de brief van de neuroloog van 19 februari 2024, maar ook uit de brief van de neuroloog van 30 september 2021 (in het bezwaardossier) waarin vermeld staat dat immunosuppressiva tot een verbetering bij appellante hebben geleid. Verder staat in de brief van de neuroloog van 19 februari 2024 vermeld dat de uitputbaarheid bij myasthenia gravis relatief het minst is bij minder fysieke inspanning. De conclusie die de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieruit heeft getrokken, namelijk dat appellante voor een beperkt deel van de dag overwegend zittend lichte taken kan verrichten, heeft de rechtbank navolgbaar geacht. De rechtbank heeft het weliswaar aannemelijk geacht dat appellante behoorlijke klachten heeft als gevolg van ziekte of gebrek, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat zij vanwege die beperkingen niet ten minste vier uur per dag of tenminste een periode van een uur achtereen, inzetbaar zou zijn voor eenvoudige arbeid. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht tot de conclusie is gekomen dat herziening voor de toekomst niet aan de orde is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft haar beroepsgronden herhaald. Appellante heeft – kort samengevat – onder verwijzing naar de informatie van de neuroloog aangevoerd dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat zij geen licht werk voor vier uur per dag en een uur aangesloten arbeid kan verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante informatie van de neuroloog van 17 april 2026 en de huisarts van 19 april 2026 overgelegd. Appellante verzoekt om inschakeling van een deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van het besluit van 22 juli 2020 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellante beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. In wat appellante heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
In het rapport van 7 mei 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd waarom de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om op medische gronden tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft het Uwv terecht gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb en dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Gelet daarop wordt het verzoek om inschakeling van een deskundige afgewezen.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
6. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
6.1.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 21 maart 2022 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en drie maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante, geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met drie maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-.

Conclusie en gevolgen

6.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 22 juli 2020 in stand blijft.
6.3.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
7. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 28 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19528.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.