ECLI:NL:CRVB:2026:848

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1689 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig onderzoek

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen per 27 september 2021, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant stelde dat het onderzoek naar zijn fysieke beperkingen niet zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege beperkingen bij werkzaamheden boven schouderhoogte.

De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was omdat geen fysiek onderzoek was verricht, maar het UWV heeft dit gebrek hersteld door een spreekuur met lichamelijk onderzoek in januari 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde op basis van dossieronderzoek, spreekuur en aanvullende medische informatie dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat deze ook op de datum in geding bestonden.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies opnieuw beoordeeld en aangepast waar nodig, maar bleef bij de conclusie dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de geselecteerde functies passend zijn. De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1689 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 juli 2025, 23/978 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 27 september 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft het Uwv geen zorgvuldig onderzoek gedaan naar zijn fysieke beperkingen en is de omvang van deze beperkingen onderschat. Verder is appellant van mening dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat daarin boven schouderhoogte moet worden gewerkt. De Raad volgt deze standpunten niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2025. Voor appellant is mr. Botterblom verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor gemiddeld 28,50 uur per week. Op 30 september 2019 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Naast de psychische klachten heeft appellant ook lichamelijke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 april 2022. Hierbij heeft de verzekeringsarts de beperkingen in de mentale belastbaarheid overgenomen uit een rapport van een expertise onderzoek door WPEX van 14 april 2022. De verzekeringsarts heeft hier beperkingen in de fysieke belastbaarheid aan toegevoegd. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 19 mei 2022 geweigerd appellant met ingang van 27 september 2021 (datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 10 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 23 oktober 2024 (tussenuitspraak 1) geoordeeld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht, omdat geen fysiek onderzoek is verricht en ook niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is gemotiveerd waarom dat onderzoek in het licht van de door appellant gestelde klachten niet nodig was. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen. Met een tussenuitspraak van 23 januari 2025 (tussenuitspraak 2) heeft de rechtbank de termijn om het gebrek te herstellen verlengd.
2.2.
Naar aanleiding van tussenuitspraak 1 heeft het Uwv appellant uitgenodigd voor een spreekuur met een verzekeringsarts bezwaar en beroep. In een rapport van 10 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen vanwege de lichamelijke klachten van appellant. Hij heeft op 11 maart 2025 een gewijzigde FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat op basis van de gewijzigde FML een deel van de eerder geselecteerde functies moet worden verworpen. Hij heeft daarvoor in de plaats nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd berekend op minder dan 35%. Het Uwv heeft daarom het standpunt dat appellant geen recht heeft op een WIAuitkering gehandhaafd.
2.3.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – overwogen dat het Uwv het in tussenuitspraak 1 vastgestelde gebrek heeft hersteld. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2025 blijkt dat nu wel een spreekuur heeft plaatsgevonden. Tijdens dit spreekuur heeft ook een lichamelijk onderzoek plaatsgevonden en zijn de klachten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgevraagd. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van appellant of dat het onderzoek niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het standpunt van appellant dat het gebrek dat in tussenuitspraak 1 is geconstateerd niet kan worden hersteld met een fysiek spreekuur in 2025, heeft de rechtbank niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 maart 2025 zijn conclusie gebaseerd op dossieronderzoek, het spreekuur op 28 januari 2025 en de informatie van de huisarts van 28 februari 2025. Daarbij is uitgebreid beschreven op welke wijze de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie uit het meest recente onderzoek heeft meegewogen bij zijn beoordeling over de fysieke gesteldheid van appellant ten tijde van de datum in geding. Appellant heeft niet gesteld of nader onderbouwd dat ten tijde van de datum in geding sprake was van ernstigere medische gebreken of dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op 27 september 2021. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de medische conclusie te twijfelen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies – ondanks de daarin voorkomende signaleringen – passend zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank. Appellant is van mening dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld, omdat nog steeds geen sprake is van een zorgvuldig onderzoek. Daartoe heeft appellant naar voren gebracht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur op 28 januari 2025 niet heeft kunnen beoordelen of de beperkingen die appellant op dat moment had op de datum in geding in dezelfde mate aanwezig waren. Ook uit de informatie van de behandelend sector kan niet worden afgeleid welke beperkingen appellant destijds had. Appellant is het ook niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij niet heeft gesteld of nader heeft onderbouwd dat hij op de datum in geding verdergaand beperkt was. Hij heeft dit wel degelijk gesteld maar is in een nadelige bewijspositie gebracht doordat het Uwv rondom de datum in geding geen lichamelijk onderzoek heeft gedaan. Verder heeft appellant aangevoerd dat de door het Uwv geselecteerde functies niet passend zijn. In de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en textielproductenmaker (SBC-code 111160) moet boven schouderhoogte gewerkt worden, terwijl appellant hiervoor in de FML beperkt is geacht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt dat de functies zodanig kunnen worden aangepast dat niet boven schouderhoogte gewerkt hoeft te worden, maar nergens blijkt uit dat dit daadwerkelijk mogelijk is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Het standpunt van appellant dat het Uwv het in tussenuitspraak 1 geconstateerde gebrek niet heeft hersteld, wordt niet gevolgd. Met het spreekuur en fysiek onderzoek op 28 januari 2025 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de in tussenuitspraak 1 gegeven opdracht. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd ook geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig was of dat de beperkingen van appellant op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.
5.2.1.
Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2025 blijkt dat hij tijdens het spreekuur met appellant, in het bijzijn van een tolk, heeft gesproken over de lichamelijke klachten en het verloop daarvan in de voorgaande jaren. Hierbij heeft appellant verklaard dat hij nog eens is gezien door een orthopedisch chirurg vanwege een toename van de klachten aan zijn linkerknie. Er werd hem een injectie aangeboden, maar dat wilde appellant niet. Andere behandelingen heeft hij ook niet gehad en de situatie is sindsdien niet gewijzigd. Ook voor de pijnklachten aan zijn linkerschouder is appellant al eens onderzocht in het ziekenhuis. Wat er is gevonden weet appellant niet en hij heeft ook hiervoor geen behandeling gehad. Appellant heeft tijdens het spreekuur een brief overgelegd van een orthopedisch chirurg van 12 december 2023, waarin de uitkomsten van een röntgenonderzoek van de linkerknie zijn vermeld. Om een beter beeld te krijgen van de linkerschouderproblematiek, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. De huisarts heeft de uitslagen van röntgenfoto’s die in 2016 zijn gemaakt van de linkerschouder en de cervicale wervelkolom en van röntgenfoto’s van de linkerschouder uit 2023 opgestuurd. Verder heeft de huisarts brieven opgestuurd van een fysiotherapeut uit 2020, 2022 en 2023 waaruit blijkt dat appellant is behandeld voor de klachten aan zijn linkerschouder.
5.2.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens uiteengezet dat de knieklachten links berusten op milde degeneratieve klachten. Eerder is chondropathie aangetoond en bij het huidige onderzoek heeft hij ook aanwijzingen gezien voor retropatellaire chondropathie. Dat laatste kan pijnklachten veroorzaken bij grotere hoekbelasting en veelvuldig traplopen. Wat betreft de klachten aan de linkerschouder blijkt uit de informatie van de huisarts dat bij eerder verricht beeldvormend onderzoek geen afwijkingen zijn geconstateerd. Ook eerder verricht beeldvormend onderzoek van de cervicale wervelkolom liet geen afwijkingen zien. Uit de informatie van de fysiotherapeut valt op te maken dat appellant klachten heeft aan de linkerschouder en nek die psychosomatisch beïnvloed worden. Gelet op zijn eigen onderzoeksbevindingen en de ontvangen informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van het frequent reiken met de linker arm, het lopen en staan in combinatie en het roteren van de knie en veelvuldig traplopen. Daarbij is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ervan uitgegaan dat deze verdergaande beperkingen ook al op de datum in geding bestonden. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en te veronderstellen dat in de gewijzigde FML van 11 maart 2025 onvoldoende beperkingen zijn aangenomen vanwege de lichamelijke klachten van appellant.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Wat appellant heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
5.3.1.
In de FML is opgenomen dat appellant met links niet boven schouderhoogte kan werken en dat hij met rechts niet beperkt is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 5 januari 2023 toegelicht dat in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) men tien keer per uur enkele seconden boven schouderhoogte actief is bij het zittend aan een werktafel reiken naar de etagerekjes en de carrousel en bij het pakken en wegzetten van bakjes met componenten en printplaten. Voor zover deze lichte voorwerpen niet met de niet beperkte rechterhand kunnen worden gehanteerd, kan er ook voor worden gekozen om vanuit zittende positie te gaan staan, zodat er van boven schouderhoogte actief zijn geen sprake meer is. Uit een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 april 2023 blijkt dat hij, naar aanleiding van de door appellant aangevoerde beroepsgrond dat ook staand boven schouderhoogte gewerkt zal moeten worden, zorgvuldigheidshalve navraag heeft gedaan bij de arbeidskundig analist. Deze heeft bevestigd dat men in deze functie vanuit een zittende houding werkt en boven schouderhoogte actief is. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat staan tijdens het werk volgens de FML mogelijk is tot vier uur per dag en er dus ook wat dat betreft geen knelpunten zijn. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor onjuist te houden.
5.3.2.
In een rapport van 11 maart 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat in de functie textielproductenmaker (SBC-code 111160) een enkele keer (niet dagelijks) enkele seconden boven schouderhoogte voorraden en materialen van hoge schappen/planken moeten worden gepakt. Dit kan worden opgelost door gebruik te maken van een olifantspoot of een verrijdbaar opstapkrukje. Gezien de lage frequentie van zes maal per dag, niet dagelijks, zal dit niet leiden tot onoverkomelijk productieverlies. In een rapport van 1 mei 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep er nog op gewezen dat appellant niet beperkt is ten aanzien van klimmen. Verder heeft hij onder verwijzing naar artikel 9, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten gesteld dat sprake is van een voorziening die eenvoudig toe te passen, betaalbaar en makkelijk te realiseren is. De Raad kan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook hierin volgen.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) C.C.T. Yao