ECLI:NL:CRVB:2026:849

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1326 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar per 3 april 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen en daarom de geselecteerde functies niet kan vervullen.

De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen passend bij de aandoeningen van appellante had vastgesteld. De conclusie van de bedrijfsarts, die appellante rond de datum in geding had onderzocht, woog minder zwaar.

In hoger beroep heeft appellante nieuwe medische stukken ingediend en aangevoerd dat zij per 1 april 2024 volledig arbeidsongeschikt is, wat volgens haar ook al op 3 april 2023 het geval was. De Raad volgt dit niet en stelt dat de verslechtering pas na de datum in geding is opgetreden. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/1326 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2025, 24/3622 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 3 april 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als huishoudelijke hulp voor vijftien uur per week. Op 5 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 februari 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 13 februari 2024 geweigerd appellante met ingang van 3 april 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 18 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Dat het lang duurt voordat een onderzoek kan worden verricht door een verzekeringsarts, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet per se dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft onderbouwd dat de vastgestelde beperkingen passen bij de aandoeningen en klachten van appellante. De rechtbank heeft er op gewezen dat het aan een verzekeringsarts is om op basis van de vastgestelde objectieve medische problematiek een uitspraak te doen over arbeidsongeschiktheid op de datum in geding en niet aan een bedrijfsarts, huisarts of andere medisch specialist. Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat niet is gebleken dat de bedrijfsarts over de medische informatie van de behandelaars van appellante beschikte. Bovendien heeft de bedrijfsarts appellante voor het laatst in november 2022 alleen telefonisch gesproken. De rechtbank is het dan ook eens met het Uwv dat de conclusie van de bedrijfsarts niet aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan afdoen. Uit het voorgaande volgt dat aan het rapport van de bedrijfsarts niet hetzelfde gewicht moet worden toegekend als aan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de medische toestand van appellante vanaf april 2024 is verslechterd, kan niet leiden tot de slotsom dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 3 april 2023 niet goed is beoordeeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat in de brief van haar psychiater staat dat appellante in mei 2023 dagelijks 40 mg Temazepam gebruikte. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet worden afgeleid dat zij die hoeveelheid ook op 3 april 2023 gebruikte. Partijen zijn het met elkaar eens dat de medische situatie van appellante – in ieder geval – vanaf april 2024 is verslechterd. April 2024 is na de datum in geding en die beoordeling valt dus buiten de omvang van dit geschil. Ter zitting van de rechtbank is besproken dat appellante – zoals ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 juni 2024 heeft opgemerkt – bij het Uwv de toegenomen arbeidsongeschiktheid kan melden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies passend zijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat dit ver na de datum in geding heeft plaatsgevonden. Er had moeten worden aangesloten bij de bevindingen en conclusies van de bedrijfsarts die wel heeft gerapporteerd rond de datum in geding. Het is daarnaast onzorgvuldig om zoveel later nog af te wijken van het eerder ingenomen standpunt dat appellante slechts marginale mogelijkheden heeft. Dat sprake was van marginale mogelijkheden blijkt uit de toekenning van een WIA-uitkering aan appellante per 1 april 2024 waarbij appellante volledig arbeidsongeschikt is bevonden. Appellante heeft aangevoerd dat daarvan op de datum hier in geding ook al sprake was.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.3.
In hoger beroep heeft appellante nieuwe (medische) stukken ingediend. Wat appellante in hoger beroep aanvoert onder verwijzing naar de toekenning van een WIAuitkering aan haar per 1 april 2024 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juni 2024, 13 december 2024 en 22 april 2025 overtuigend gemotiveerd dat met de FML van 27 juni 2024 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bestaande psychische en fysieke beperkingen voor het verrichten van arbeid. De beroepsgrond dat de volledige arbeidsongeschiktheid op 1 april 2024 ook al op de datum hier in geding, 3 april 2023, bestond, slaagt niet. De verzekeringsarts heeft op 20 augustus 2025 gemotiveerd toegelicht dat appellante per april 2024 toegenomen arbeidsongeschikt is als gevolg van toegenomen psychische en buikklachten. Daarbij is verwezen naar de brief van R. Younis en psychiater T. Mulder van 21 februari 2025 waaruit volgt dat bij appellante op dat moment sprake is van een ernstig depressief toestandsbeeld, dat is geluxeerd door het overlijden van de vader van appellante in april 2024. Anders dan appellante heeft betoogd was van deze gezondheidssituatie op de datum in geding dus nog geen sprake.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante per 3 april 2023 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) G.C. Boot
(getekend) S. Ploum