ECLI:NL:CRVB:2026:849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar per 3 april 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen en daarom de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen passend bij de aandoeningen van appellante had vastgesteld. De conclusie van de bedrijfsarts, die appellante rond de datum in geding had onderzocht, woog minder zwaar.
In hoger beroep heeft appellante nieuwe medische stukken ingediend en aangevoerd dat zij per 1 april 2024 volledig arbeidsongeschikt is, wat volgens haar ook al op 3 april 2023 het geval was. De Raad volgt dit niet en stelt dat de verslechtering pas na de datum in geding is opgetreden. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.