ECLI:NL:CRVB:2026:856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/1311 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering terecht wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig kok, ontving sinds april 2021 een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,46%. Na een herbeoordeling in 2023 stelde het UWV vast dat appellant slechts 23,81% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering per 23 februari 2024. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit na aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de artsen van het UWV hun oordeel begrijpelijk en concreet hadden gemotiveerd en appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.

De Raad concludeert dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, inclusief lichamelijk onderzoek en dossierstudie, en dat de arbeidskundige beoordeling juist is. Het hoger beroep wordt verworpen, de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/1311 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2025, 24/6942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 23 februari 2024 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Ronday, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kok voor 38 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 27 april 2021 een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 66,46%.
1.2.
In verband met verzoek van 8 februari 2023 van appellant om een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juli 2023. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant berekend op 23,81%. Het Uwv heeft bij besluit van 16 augustus 2023 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 23 februari 2024 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een arts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arts bezwaar en beroep heeft een aantal wijzigingen in de beperkingen aangebracht en heeft deze beperkingen neergelegd in de FML van 6 juni 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is het oordeel van de primaire deskundige aan te passen en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant ongewijzigd vastgesteld op 23,81%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de artsen van het Uwv begrijpelijk en concreet hebben gemotiveerd hoe zij tot de beoordeling zijn gekomen. De rechtbank kan dit medisch oordeel volgen. Appellant heeft geen nadere medische stukken in het geding gebracht om hiermee het gemotiveerde standpunt van de artsen van het Uwv te weerleggen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens appellant heeft hij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en doet de FML geen recht aan zijn medische situatie. De klachten van appellant zijn toegenomen en hij heeft te maken met een ernstig verslechterde gezondheidssituatie, waardoor het onbegrijpelijk is dat de mate van arbeidsongeschiktheid is verlaagd ten opzichte van de eindewachttijdbeoordeling uit 2021. Gelet op de medische beperkingen is een urenbeperking nog steeds aan de orde en zijn de geselecteerde functies niet passend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daaraan wordt naar aanleiding van wat ter zitting naar voren is gebracht het volgende toegevoegd.
5.3.
Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de arts onvoldoende aandacht heeft gehad voor en onderzoek heeft gedaan naar zijn fysieke klachten en het onderzoek in zijn geheel minder dan vijftien minuten duurde. Deze beroepsrond slaagt niet. Blijkens zijn rapport van 6 juni 2024 heeft de arts bezwaar en beroep Raaff kennis genomen van het dossier en het bezwaar van appellant, heeft lichamelijk onderzoek verricht aan de knieën, rug, nek, benen, heupen, armen en handen, en de nadien in het geding gebrachte informatie, zowel in bezwaar als in beroep, meegewogen in de beoordeling. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de arts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist. Niet is gebleken dat de duur van het onderzoek op het spreekuur zodanig kort is geweest dat het alleen al om die reden voor onzorgvuldig moet worden gehouden. Mede gelet op de hiervoor genoemde onderzoeksverrichtingen en daarbij betrokken informatie concludeert de Raad dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch onderzoek van de artsen van het Uwv onzorgvuldig te achten. Daarbij is van belang dat geen onenigheid bestaat over de op appellant van toepassing zijnde diagnoses en dat geen sprake meer was van behandeling voor psychische klachten. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat de artsen van het Uwv zijn klachten en beperkingen hebben onderschat.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Appellant heeft geen arbeidskundige gronden naar voren gebracht. Uitgaande van de juistheid van de FML van 6 juni 2024 ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de arbeidskundige beoordeling.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) D. Semiz