ECLI:NL:CRVB:2026:858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens rugklachten en jicht, maar het Uwv heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is vastgesteld. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige van het Uwv concludeerden dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, maar wel voor andere functies.
Appellant voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten ernstiger zijn dan aangenomen, met name bewegingsangst en pijnklachten die hem beperken in zitten, staan en tillen. De rechtbank oordeelde echter dat de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst voldoende onderbouwd zijn en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld. Het radiologiebericht en andere medische stukken boden geen nieuwe inzichten die tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leiden.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het Uwv. Er is geen reden om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordelingen. Het hoger beroep wordt afgewezen, de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand en er is geen recht op vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.