ECLI:NL:CRVB:2026:862

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/2009 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen

Appellant heeft zich ziekgemeld in 2007 en verzocht in 2010 om een WIA-uitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een verzoek in 2021 om terug te komen op dit besluit, ondersteund door een psychodiagnostisch rapport, wees het UWV dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige passende functies had geselecteerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van nieuwe feiten, waaronder een licht verstandelijke beperking, toegenomen psychische klachten en intensieve begeleiding, en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was.

De Raad volgde appellant niet en bevestigde dat de beperkingen sinds 2009 niet waren toegenomen, zoals ook door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was gemotiveerd. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.

Uitspraak

24/2009 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juli 2024, 22/4177 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om voor het verleden en voor de toekomst terug te komen van het besluit van 2 maart 2010, waarin het Uwv heeft geweigerd om appellant per 23 november 2009 een WIA-uitkering toe te kennen. Daarnaast gaat het over de vraag of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 23 november 2009. Volgens appellant is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden en is hij in 2010 ten onrechte niet in aanmerking gebracht voor een WIAuitkering. Verder is volgens appellant sprake van toegenomen beperkingen als gevolg van psychische klachten. De Raad volgt deze standpunten niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.N. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het Uwv heeft desgevraagd alsnog beoordeeld of sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na de eerdere weigering van de WIA-uitkering per 23 november 2009 en heeft geconcludeerd dat hiervan geen sprake is. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen-Staarthof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als civiel medewerker voor 38,64 uur per week. Op 5 november 2007 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 december 2009. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn laatste werk als civiel medewerker en heeft daarnaast voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 2 maart 2010 geweigerd appellant met ingang van 23 november 2009 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
In een brief van 29 maart 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 2 maart 2010. In een brief van 28 juli 2021 heeft de ambulant begeleider van appellant het verzoek van appellant nader toegelicht en daarbij een rapport van een psychodiagnostisch onderzoek uit 2020 overgelegd. Op 4 november 2021 heeft appellant vervolgens een WIA-aanvraag ingediend en daarin 29 maart 2021 als eerste ziektedag vermeld. Bij besluit van 22 november 2021 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Appellant heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden vermeld, waardoor er geen reden bestaat om nogmaals het recht op een WIA-uitkering te beoordelen.
1.3.
Bij besluit van 12 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Omdat veel medische informatie in het dossier aanwezig was, hoefde de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen actuele medische informatie in te winnen bij de behandelend sector. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Het Uwv mocht daarom het verzoek van appellant afwijzen met verwijzing naar het eerdere besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant ingebrachte medische informatie vergeleken met de medische informatie die in 2009 bij de WIA-beoordeling bekend was. De angstklachten zijn in 2009 al meegewogen. Verder blijkt dat er in 2009 al sprake was van een sociale fobie en rhinitis vanwege huisstofmijt. Deze aandoening was destijds al aanwezig en had toen naar voren kunnen worden gebracht. Dat geldt ook voor de intensieve persoonlijke begeleiding die appellant ontvangt. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de weigering om terug te komen van het eerdere besluit evident onredelijk is. Over de duuraanspraak heeft de rechtbank daarnaast overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk en concreet heeft gemotiveerd waarom een aanvullende beperking is aangenomen op het aspect stofbelasting en waarom er geen reden is om aanvullende beperkingen aan te nemen vanwege de intensieve persoonlijke begeleiding waarop appellant is aangewezen. De rechtbank heeft in het door appellant ingebrachte expertiserapport en de medische stukken geen reden gezien om aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn. Er zijn voor appellant bij persoonlijk en sociaal functioneren geen beperkingen aangenomen die aanleiding geven te veronderstellen dat het probleemoplossend vermogen van appellant beperkt is. Appellant wordt daarom in staat geacht de functie van medewerker groen en terreinverzorging op niveau 3 uit te voeren. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat appellant verschillende opleidingen heeft gevolgd en in de functies alleen enkele jaren vervolgonderwijs is vereist. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 2 maart 2010.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daarnaast is volgens appellant wel sprake van nieuwe feiten, omdat bij de eerste WIA-beoordeling niet of onvoldoende is meegewogen dat hij een licht verstandelijke beperking heeft, dat hij speciaal onderwijs heeft gevolgd, dat hij psychische klachten heeft die sinds 2008 zijn toegenomen, dat hij sinds 28 augustus 2019 een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg heeft, dat hij vanwege zijn aanhoudende en verergerde toenemende psychische klachten onder behandeling heeft gestaan van verschillende GGZ-instellingen en dat hij sinds 2016 tot op heden intensieve begeleiding vanuit ’s Heeren Loo krijgt. Ook is geen rekening gehouden met zijn medicatiegebruik. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen sinds 23 november 2009 zijn toegenomen, waarbij hij heeft gewezen op informatie van de huisarts over zijn psychische klachten. Over de arbeidskundige beoordeling heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies niet passend zijn vanwege zijn beperkingen. Tot slot heeft appellant verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 december 2025 geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na 23 november 2009.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het verzoek van appellant van 29 maart 2021 strekt ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van het besluit van 2 maart 2010 (oorspronkelijk besluit), dat in rechte onaantastbaar is geworden. Daarnaast heeft hij in hoger beroep aangegeven dat hij ook beoogde een beroep te doen op de zogeheten Amberregeling, omdat volgens hem sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft die beoordeling op verzoek van de Raad in hoger beroep alsnog verricht.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep over de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van 2 maart 2010 heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Over de mogelijke Amber-aanspraken wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat zijn beperkingen in de periode van vijf jaar na 23 november 2009 zijn toegenomen en dat het Uwv voor die periode meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 december 2025 inzichtelijk gemotiveerd dat per 23 november 2014 geen sprake is van toegenomen beperkingen, die noodzaken tot aanpassing van de FML, zoals die per 23 november 2009 was vastgesteld. De overgelegde medische informatie uit 2010 bevestigt de al langer bestaande psychische klachten, de verstandelijke beperking en de psychosociale problematiek. Deze informatie is bij de beoordeling in 2009 al meegewogen. Hoewel de huisarts heeft gerapporteerd dat in de periode 2011-2014 sprake is van tijdelijke verbetering, maar over de gehele periode sprake is van een verergering van de klachten, is uit het opgevraagde huisartsendossier een toename van de psychische problematiek en daaruit voortvloeiende beperkingen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te onderbouwen. De psychosociale problematiek was in die periode ongewijzigd aan de orde. Er is daarnaast bij appellant sprake geweest van een terugkerend patroon van een hulpvraag op het psychische vlak met wisseling van medicatie die al of niet om moverende reden door appellant werd gestaakt. Per einde wachttijd in 2009 zijn voor de bestaande problematiek beperkingen aangenomen in de rubrieken ‘persoonlijk en sociaal functioneren’. Omdat het klachtenpatroon en het medisch feitencomplex sindsdien ongewijzigd zijn, is de in 2009 opgestelde FML nog altijd van toepassing per 23 november 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan in dit inzichtelijke standpunt worden gevolgd.
5.4.
Nu twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellant verzocht.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) G.T. Hunsel