ECLI:NL:CRVB:2026:863

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/2088 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant, die sinds 2012 ziekgemeld is met lichamelijke en psychische klachten, kreeg in 2014 een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Later ontstond twijfel over de betrouwbaarheid van de diagnose depressieve stoornis met psychotische kenmerken, mede door taalbarrières en tegenstrijdige medische rapporten.

Het UWV beëindigde de WIA-uitkering per 23 juli 2020 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen had en niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank vernietigde het besluit en beval nader medisch onderzoek.

De Raad benoemde deskundigen die geen betrouwbare diagnose konden stellen en constateerden inconsistenties in het medisch dossier. Ondanks het ontbreken van een sluitende diagnose volgde de Raad het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen aanleiding was voor zwaardere beperkingen. De beëindiging van de WIA-uitkering blijft daarom in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

22/2088 WIA, 23/625 WIA
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2022, 21/1427 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 23 juli 2020 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Pinarbasi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 10 oktober 2022 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft zijn zienswijze hierop gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023. Namens appellant is mr. Pinarbasi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Het onderzoek is ter zitting geschorst.
De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing als deskundige benoemd. Deze psychiater heeft op 8 december 2023 de opdracht teruggegeven.
Het onderzoek ter zitting is vervolgd op 28 februari 2024. Namens appellant is mr. Pinarbasi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Anandbahadoer.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft M.A. Bozdag, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 februari 2025 en op 7 oktober 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op deze rapporten ingediend.
De Raad heeft de deskundige de zienswijzen voorgelegd en vragen gesteld over het rapport van 7 oktober 2025, waarna de deskundige op 20 januari 2026 aanvullend heeft gerapporteerd.
Het Uwv heeft door middel van een rapport van de bezwaar verzekeringsarts van 13 februari 2026 gereageerd op het aanvullende rapport van de deskundige.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 39 uur per week. Op 14 december 2012 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 12 december 2014 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Aan deze toekenning ligt een rapport van een verzekeringsarts ten grondslag die op grond van informatie van psychiater B.H.M.J. Sonnenschein is uitgegaan van een ernstig depressief beeld met wanen. In een bericht van 3 december 2016 heeft de psychiater vermeld dat appellant lijdt aan een chronisch depressieve stoornis met psychotische kenmerken en angst. Appellant wordt laagfrequent gecontroleerd op zijn toestandsbeeld en medicatie. Op verzoek van het Uwv heeft S. Henselmans, psychiater bij Psyon, op 26 januari 2016 (lees 2017) een rapport uitgebracht waarin is geconcludeerd dat appellant een depressieve stoornis heeft met psychotische kenmerken. Door een taalprobleem heeft geen validatietest plaatsgevonden. Bij besluit van 20 maart 2017 is de WIA-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet.
1.2.
In een rapport van 19 februari 2019 heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat niet duidelijk is hoe de diagnose destijds tot stand is gekomen. Het is opvallend dat de behandelend psychiater destijds ver bij appellant uit de buurt woonde en geen Turks sprak, terwijl appellant geen Nederlands sprak. Zijn rapporten waren kort en weinig zeggend. Er is bij het Uwv om meerdere redenen twijfel gerezen over de betrouwbaarheid van deze psychiater. Ook de expertise van Psyon die is uitgebracht bevat geen goede onderbouwing voor de psychotische klachten en geeft geen verklaring voor de grote mate van passiviteit. De verzekeringsarts heeft in verband met de gerezen twijfel een psychiatrische expertise verzocht.
1.3.
In het kader van een herbeoordeling heeft appellant op 6 november 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft psychiater D. Lam op 13 januari 2020 een expertise uitgebracht, waarin Lam heeft geconcludeerd dat geen argumenten kunnen worden gevonden die de diagnose psychotische depressie of schizofrenie ondersteunen. Er zijn geen tekenen van angst waarneembaar noch van hallucinatoir gedrag, en de geuite klachten imponeren integendeel als gespeeld, weinig of niet echt van aard. De door de behandelend psychiater gestelde diagnose depressieve stoornis met psychotische kenmerken is niet onderbouwd en spoort niet met de laagfrequente medicinale behandeling en een betrouwbare diagnostiek is zonder tolk niet mogelijk. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 14 januari 2020 vastgesteld dat geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis, maar dat lichte psychische klachten niet kunnen worden uitgesloten. Appellant is belastbaar met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2020. Een arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant geschikt is te achten voor zijn laatst verrichte werk van schoonmaker, maar heeft subsidiair functies geselecteerd en, op basis van de drie functies met de hoogste lonen, de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 16 januari 2020 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 23 juli 2020 beëindigd, omdat hij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2021 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de conclusies van de door appellant in beroep ingebrachte contra-expertise van 26 december 2020 van PsyNovo en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet eenduidig zijn en dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of de klachten en het gedrag van appellant passend zijn bij een ernstig psychiatrisch ziektebeeld en of appellant wel of geen betrouwbaar verhaal vertelt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de contra-expertise voldoende twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de door het Uwv verrichte medische beoordeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 6 mei 2021 heeft laten weten dat het Uwv weer over de mogelijkheid beschikt om een diagnostische opname uit te laten voeren en dat bij appellant symptoomvaliditeitstesten kunnen worden afgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aangewezen is dat dit alsnog gebeurt.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het niet met de uitspraak van de rechtbank eens. Appellant heeft zich verzet tegen de aanwijzing van de rechtbank dat bij hem een symptoomvaliditeitstest moet worden afgenomen, omdat nader onderzoek volgens appellant niet noodzakelijk is om te beoordelen of hij arbeidsongeschikt is. Daarbij heeft appellant gesteld dat hij in het verleden door verschillende onafhankelijke psychiaters, ook in opdracht van het Uwv, is onderzocht – met en zonder aanvullende testen – waarbij een vergelijkbare psychiatrische aandoening is vastgesteld. Appellant is van mening dat het opnieuw ondergaan van een onderzoek te belastend en onredelijk bezwarend voor hem is en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 12 september 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat een diagnostische opname is geïndiceerd, omdat uit diverse onderzoeken is gebleken dat er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de aard en ernst van het beschreven en gepresenteerde medische beeld op de diverse spreekuren. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties die niet verenigbaar zijn met een bekend psychiatrisch ziektebeeld.
3.3.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2022 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard en de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw vastgesteld op minder dan 35%. Aan bestreden besluit 2 ligt een tweede rapport van 12 september 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant, na te zijn opgeroepen voor een diagnostische opname, weliswaar stelt niet te kunnen meewerken aan een diagnostische opname en symptoomvaliditeitsonderzoek, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, maar de daarvoor aangevoerde redenen zijn onvoldoende navolgbaar. Appellant, die zich inmiddels in Turkije bevindt, wordt in staat geacht om met begeleiding naar Nederland te komen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Omdat het Uwv met bestreden besluit 2 niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
4.2.
De Raad beoordeelt of de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant per 23 juli 2020 in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.
4.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gelet op de uiteenlopende medische bevindingen er aanleiding was voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen, en dat een nader medisch onderzoek aangewezen was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 september 2022 gemotiveerd waarom appellant niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat hij niet aan een diagnostische opname kan meewerken. Ter zitting van de Raad van 19 januari 2023 heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat appellant geen vertrouwen heeft in een door het Uwv uit te voeren diagnostische opname maar wel bereid is om mee te werken aan een onderzoek door een door de Raad te benoemen deskundige. Vervolgens heeft de Raad om de impasse te doorbreken en uit een oogpunt van finale geschilbeslechting psychiater HernandezDwarkasing als deskundige ingeschakeld met het verzoek om appellant te onderzoeken. Omdat appellant heeft gesteld dat hij voor het onderzoek niet naar Nederland kan komen, heeft psychiater Hernandez-Dwarkasing de opdracht op 8 december 2023 teruggegeven aan de Raad. Volgens Hernandez-Dwarkasing was gezien de complexiteit, de discussie over de symptoomvaliditeit en de tegenstrijdige bevindingen in het verleden een spreekuuronderzoek noodzakelijk. Ter zitting van de Raad van 28 februari 2024 is vervolgens gebleken dat appellant daarna (op 5 februari 2024) een CVA heeft gehad en volgens hemzelf om die reden niet meer naar Nederland kan reizen.
4.4.
De Raad heeft vervolgens psychiater Bozdag als deskundige ingeschakeld en hem gevraagd zijn beoordeling te verrichten op grond van de dossierstukken. In zijn rapport van 9 februari 2025 heeft de deskundige geconcludeerd dat de door de behandelend psychiater gestelde diagnose depressie met psychotische kenmerken en angst niet adequaat is opgebouwd met wat de symptomen van appellant zijn en dat niet duidelijk is hoe tot de diagnose gekomen is. De deskundige deelt de conclusie van de door het Uwv ingeschakelde psychiater Lam dat er gerede twijfels mogelijk zijn ten aanzien van de behandeling en diagnostiek door de behandelend psychiater. Onder het voorbehoud dat de door appellant weergegeven symptomen in alle gevallen correct zijn weergegeven, is volgens de deskundige sprake van schizofrenie met PTSS. Het verslag van PsyNovo roept bij de deskundige echter meerdere vragen op. Daarbij heeft de deskundige opgemerkt dat geen symtoomvaliditeitstest is afgenomen, dat niet goed te volgen is waarom geen informatie bij de behandelaar van appellant in het buitenland is opgevraagd en waarom geen bloedspiegels van zijn medicatie is afgenomen gelet op de bestaande twijfel over de gestelde diagnoses. De deskundige heeft verder opgemerkt dat in het verslag van PsyNovo enige tegenstrijdigheden in de vorm van positieve symptomen (hallucinaties) staan die volgens appellant de overhand zouden hebben, terwijl volgens de heteroanamnese juist de negatieve symptomen de overhand hebben. Gelet op de bestaande twijfels heeft de deskundige zijn diagnose uitgesteld en geadviseerd nader onderzoek te doen. De deskundige heeft appellant vervolgens op 31 juli 2025 in Turkije onderzocht en op 11 september 2025 appellant via beeldbellen gesproken. Hoewel appellant aangaf niet zonder ondersteuning te kunnen lopen heeft de deskundige waargenomen dat hij zonder hulp naar de auto liep en instapte. Appellant raakte geïrriteerd toen de deskundige hem daarmee confronteerde in het tweede gesprek. De behandelaar van appellant in Turkije heeft op het verzoek van de deskundige om nadere informatie verwezen naar het medisch dossier in E-Nabiz. Anamnestisch is sprake van slechte verzorging en incontinentie voor urine wat tijdens het eerste gesprek niet gezien is door de deskundige. Appellant lijkt zijn klachten enigszins te verergeren waardoor hij mogelijk minder betrouwbaar overkomt, maar als daar doorheen gekeken wordt is volgens de deskundige sprake van een chronisch depressieve episode met auditieve hallucinaties en status na CVA. De deskundige heeft aangegeven geen goede uitspraak te kunnen doen over de FML van 14 januari 2020.
4.5.
In zijn reactie van 10 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er onder meer op gewezen dat de deskundige ook inconsistenties zijn opgevallen en dat ook in dit rapport betrouwbaarheid een vraagstuk is. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat niet duidelijk is hoe de deskundige door de mindere betrouwbaarheid heen gekeken heeft en dat de door de deskundige waargenomen inconsistenties niet gewogen zijn. Ook is niet duidelijk hoe het inmiddels doorgemaakte herseninfarct een rol speelt. De door de deskundige opgevraagde medische gegevens geven onvoldoende inzicht in de medische problematiek op de datum in geding.
4.6.Naar aanleiding van nadere vragen van de Raad heeft de deskundige op 20 januari 2026 een aanvullend rapport uitgebracht. Hierin heeft de deskundige aangegeven dat diagnostisch sprake lijkt te zijn van een depressie met psychotische kenmerken. Appellant heeft een CVA doorgemaakt die zijn mogelijke traagheid en geheugenproblemen lijkt te verergeren. Tijdens het psychiatrische onderzoek was zijn bewustzijn helder en was zijn aandacht te trekken en redelijk te behouden. Appellant lijkt zijn klachten te verergeren op lichamelijk gebied, maar niet op psychisch gebied. Verder heeft de deskundige herhaald dat inderdaad sprake is van inconsistenties, maar dat hij op basis van de informatie in het dossier E-Nabiz, wat leidend is geweest in zijn uiteindelijke beoordeling, door de tegenstrijdigheden heen heeft gekeken.
Door de inmiddels opgetreden comorbiditeit c.q. het herseninfarct is volgens de deskundige geen betrouwbare diagnose meer te geven en heeft een diagnostische opname volgens hem geen meerwaarde meer. In een rapport van 13 februari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op het aanvullend rapport en zijn standpunt gehandhaafd.
4.7.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. De deskundige heeft gemotiveerd waarom vraagtekens kunnen worden gezet bij de door de behandelend psychiater gestelde diagnose en het door appellant ingediende rapport van PsyNovo, en de bevindingen van de door het Uwv ingeschakelde psychiater Lam en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat punt onderschreven. Ook heeft de deskundige inzichtelijk weergegeven op welke punten tijdens het onderzoek van appellant sprake was van tegenstrijdigheden. De Raad volgt dat onderdeel van de conclusies van de deskundige.
De deskundige heeft echter uiteindelijk geen betrouwbare diagnose kunnen stellen en geen uitsluitsel kunnen geven over de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen in de FML van 14 januari 2020. De door hem opgeworpen vragen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de anamnese en de verificatie van het medicijngebruik heeft hij in zijn rapporten niet kunnen beantwoorden. Bovendien heeft de deskundige de hem geconstateerde tegenstrijdigheden niet op kenbare wijze gewogen en zich bij zijn conclusies laten leiden door het medisch dossier van appellant in Turkije, waarbij onduidelijk is welke informatie daarin is vermeld en op welke periode die informatie betrekking heeft. Wat betreft het beoordelen van de bij appellant aanwezige beperkingen op de datum in geding komt aan het rapport van de deskundige dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.
4.8.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de door meerdere deskundigen geconstateerde inconsistenties in de medische informatie, uitvoerig gemotiveerd waarom op de datum in geding geen sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis die zou moeten leiden tot zwaardere beperkingen. De Raad acht de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar en in lijn met het deel van het deskundigenrapport dat de Raad wel kan onderschrijven. Appellant heeft naar aanleiding van de rapporten van de deskundige en de reactie daarop van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen nadere medische informatie ingediend om zijn standpunt te onderbouwen. Appellant wordt gelet op het voorgaande niet gevolgd in zijn standpunt dat op de datum in geding sprake was van zwaardere beperkingen dan neergelegd in de FML van 14 januari 2020.
4.9.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2022 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M.G.J. van Eck