ECLI:NL:CRVB:2026:866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/2633 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met pijnklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zowel een arts als een arbeidsdeskundige van het UWV hebben beperkingen vastgesteld, maar de geselecteerde functies zijn passend bevonden.

De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het medisch en arbeidskundig onderzoek van het UWV als zorgvuldig en juist beoordeelde. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft en dat de geselecteerde functies niet passend zijn, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.

In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunten en verzoekt zij om een deskundige te laten raadplegen, wat door de Raad wordt afgewezen. De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende is onderbouwd.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

24/2633 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 oktober 2024, 24/1490 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante per 20 april 2023 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.A.C. Versteden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 13 februari 2025 heeft mr. E.J. Bek, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Bij brief van 4 februari 2026 heeft mr. E.D. van Tellingen, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Voor appellante is mr. I. El Azzati, kantoorgenoot van mr. Van Tellingen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als postsorteerder voor 35,88 uur per week. Op 22 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld met pijnklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 31 maart 2023 geweigerd appellante met ingang van 20 april 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 26 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een van de geselecteerde functies laten vervallen en een nieuwe functie geselecteerd.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Zo heeft dossierstudie en een (telefonisch en fysiek) spreekuurcontact plaatsgevonden en is appellante psychisch en fysiek onderzocht. In bezwaar is naast dossierstudie informatie van de behandelend sector meegewogen en is appellante onderzocht.
2.2.
De omstandigheid dat appellante de bejegening door de verzekeringsarts bezwaar en beroep als onzorgvuldig heeft ervaren, is onvoldoende voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en de uitkomsten daarvan. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben beiden in hun rapport op een inzichtelijke wijze gerapporteerd wat het lichamelijk onderzoek heeft ingehouden en wat de resultaten daarvan zijn.
2.3.
Het medisch oordeel heeft de rechtbank ook juist geacht. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapporten van de (verzekerings-)artsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten en diagnoses. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden. In de FML heeft het Uwv – soms forse – beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen medisch-objectiveerbare reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen voor de (pijn)klachten in verband met fibromyalgie en slaapapneu. Appellante heeft haar standpunt niet met medische informatie onderbouwd.
2.4.
Ook de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank juist geacht. De rechtbank heeft de medische beoordeling door het Uwv onderschreven en heeft dan ook geen aanleiding gezien om de voorgehouden functies als niet passend aan te merken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In dat verband heeft zij de beroepsgronden die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd, herhaald en daarnaast betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft geraadpleegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De stelling van appellante dat verdergaande beperkingen aangenomen moeten worden omdat zij slecht slaapt door een slaapapneu-apparaat maakt de beoordeling niet anders. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2023/19 januari 2024 blijkt dat bij de vaststelling van de belastbaarheid met de moeheidsklachten rekening is gehouden door op energetische en preventieve gronden een urenbeperking aan te nemen voor zes uur werken per dag, 30 uur per week. Verder is appellante niet in staat geacht ’s nachts te werken. Het Uwv heeft daarbij het dagverhaal betrokken. De beoordeling door het Uwv wordt niet onjuist geacht. Appellante heeft geen medische gegevens in geding gebracht die aanleiding geven voor een verdergaande urenbeperking.
5.4.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige. Het daartoe gedane verzoek wordt daarom afgewezen.
5.5.
Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde een medisch deskundige te benoemen. Appellante heeft informatie van haar behandelaars in de procedure kunnen inbrengen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft die informatie inzichtelijk in de beoordeling betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Het door appellante gestelde financiële onvermogen kan daarom buiten beschouwing blijven.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) F.M. Gerritsen