ECLI:NL:CRVB:2026:868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/795 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering ondanks nieuw argument

Appellant, een voormalig timmerman, heeft sinds 1997 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na meerdere verzoeken tot herziening, waarbij het UWV de uitkering verhoogde en later corrigeerde naar 35 tot 45%, heeft appellant opnieuw verzocht om terug te komen op het besluit van 28 september 2020. Hij stelt dat hij vanaf 1997 volledig arbeidsongeschikt is (80-100%).

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de weigering van het UWV om het besluit te herzien ongegrond verklaard. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een herziening rechtvaardigen. Nieuwe argumenten zonder nieuwe feiten zijn onvoldoende volgens artikel 4:6 Awb Pro.

De Raad overweegt dat de klachten van appellant over hart- en psychische aandoeningen buiten beschouwing blijven omdat hij alleen verzekerd is voor rugklachten. Ook is geen sprake van reformatio in peius. Het bezwaar dat appellant niet is gehoord, ziet op een eerdere procedure en wordt niet behandeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

25/795 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2025, 24/3288 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 28 september 2020, waarbij de WAO-uitkering per 14 oktober 2020 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij vanaf de ingangsdatum van de WAO-uitkering, 21 april 1997, volledig arbeidsongeschikt is. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank de weigering om de eerdere besluitvorming te herzien terecht in stand heeft gelaten.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, [naam echtgenote], tevens gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als timmerman voor 36,77 uur per week. Op 22 april 1996 heeft hij zich ziekgemeld wegens rugklachten. Bij besluit van 24 maart 1997 heeft het Uvw aan appellant met ingang van 21 april 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Bij brief van 21 juni 2007 heeft appellant een verzoek gedaan om terug te komen van het besluit van 24 maart 1997, welk verzoek het Uwv bij besluit van 7 mei 2008 heeft afgewezen. Bij besluit van 29 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2008 ongegrond verklaard. Het beroep en het hoger beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard. [1]
1.3.
Op 31 januari 2012 heeft appellant voor de tweede maal een herzieningsverzoek ingediend. Bij besluit van 1 juni 2012, in stand gelaten bij besluit op bezwaar van 16 augustus 2012, heeft het Uwv het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard wat in hoger beroep door deze Raad is bevestigd. [2]
1.4.
Op 29 augustus 2019 heeft appellant voor de derde maal verzocht om herziening van de eerdere besluitvorming. Bij besluit van 30 september 2019 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 juni 2018 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering. Hij heeft verzocht de verhoging in te laten gaan per 21 april 1997. Bij besluit van 28 september 2020 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, omdat de primaire arts ten onrechte naast de rugklachten de hart- en psychische klachten had meegewogen, terwijl die klachten niet voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de arbeidsongeschiktheid van appellant in 1997 is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit met een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juni 2020 gecorrigeerd en de WAO-uitkering met inachtneming van een uitlooptermijn per 14 oktober 2020 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Het beroep van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 10 mei 2023 [3] is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.5.
Bij besluit van 26 september 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van een vierde herzieningsverzoek van appellant van 1 september 2023 geweigerd om terug te komen van onder meer het besluit van 28 september 2020.
1.6.
Bij besluit van 27 februari 2024 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding zijn het besluit van 28 september 2020 te herzien. Verder is de omstandigheid dat appellant op 4 september 2023 een hersenbloeding heeft gehad geen reden om de eerdere beoordeling te herzien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de gronden van appellant in beroep in essentie een herhaling zijn van de gronden die appellant in de eerdere procedure heeft aangevoerd en waarover de Raad bij uitspraak van 10 mei 2023 uitspraak heeft gedaan. De Raad heeft te kennen gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom er geen medische grond is om de ingangsdatum van de toegenomen beperkingen terug te leggen naar 1997 en waarom er geen reden is om in 1997 beperkingen aan te nemen in verband met de hart- en psychische klachten. Daarbij heeft de Raad, zoals al gedaan in de uitspraak van 22 mei 2015, opnieuw geoordeeld dat de hartklachten en psychische klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan destijds de WAO-uitkering is toegekend. De Raad heeft in die uitspraak ook geoordeeld dat in de FML van 25 juni 2020 voldoende beperkingen voor de rug-afwijkingen zijn aangenomen. De stukken die appellant in de huidige procedure in verband met zijn hartklachten en beroertes heeft overgelegd maken de beoordeling niet anders, omdat die klachten bij de beoordeling van de belastbaarheid buiten aanmerking moeten blijven omdat appellant alleen verzekerd is voor de beperkingen als gevolg van zijn rugklachten. Appellant heeft volgens de rechtbank geen gegevens overgelegd waaruit een toename van rugklachten is gebleken. Daarnaast heeft de Raad in de uitspraak van 10 mei 2023 geoordeeld dat geen sprake is van reformatio in peius zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook terecht geen aanleiding gezien om de besluiten van 24 maart 1997 en 28 september 2020 te herzien. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellant dat hij niet is gehoord heeft de rechtbank vastgesteld dat dit ziet op de hoorzitting voorafgaand aan het besluit op bezwaar van 28 september 2020 zodat de rechtbank deze grond buiten bespreking heeft gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat hij door het maken van bezwaar tegen het besluit van 30 september 2019 in een slechtere positie is geraakt dan hij anders zou hebben verkeerd omdat zijn uitkering als gevolg van het besluit van 28 september 2020 weer naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld. Volgens appellant is sprake van strijd met het beginsel van reformatio in peius en is sprake van een schending van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel nu het Uwv niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van het instellen van bezwaar tegen dit besluit. Verder heeft hij herhaald dat het besluit op bezwaar van 28 september 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij ten onrechte niet is uitgenodigd om zijn bezwaren tegen het voornemen tot wijziging van het besluit van 30 september 2019 tijdens een hoorzitting toe te lichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming in stand heeft gelaten aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 28 september 2020 waarin de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 oktober 2020 na een tijdelijke verhoging weer is verlaagd naar de klasse 35 tot 45%. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij vanaf de ingangsdatum van de WAO-uitkering, 21 april 1997, recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [4]
5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd en die, als ze eerder bekend waren geweest, voor het Uwv aanleiding hadden behoren te zijn een ander besluit te nemen. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.4.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dat evenmin gebleken is dat de weigering om terug te komen evident onredelijk is. Hieruit volgt dat het Uwv dus terecht heeft geweigerd om terug te komen van de eerdere besluitvorming. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.5.
De stelling van appellant dat het Uwv appellant ten onrechte niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van het maken van bezwaar tegen de ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering, en dat daarmee sprake is van strijd met diverse rechtsbeginselen, is een nieuw argument maar geen nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad kunnen niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt nieuwe argumenten die reeds tegen het besluit van 28 september 2020 naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit is slechts anders indien deze argumenten steunen op nieuwe feiten of omstandigheden. Bovendien is deze grond in feite een herhaling van het al eerder door appellant naar voren gebrachte standpunt dat bij de beslissing van 28 september 2020 sprake was van reformatio in peius. De Raad heeft deze grond al verworpen in de uitspraak van 10 mei 2023. Zoals reeds in die uitspraak is overwogen is er geen rechtsbeginsel dat zich ertegen verzet dat als het Uwv een onjuistheid constateert, deze in het kader van de heroverweging wordt gecorrigeerd met ingang van een toekomende datum.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van de besluitvorming van 28 september 2020 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) C.C.T. Yao

Voetnoten

1.Zie uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1542.
2.Zie uitspraak van de Raad van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1854.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 10 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:865.
4.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.