ECLI:NL:CRVB:2026:868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering ondanks nieuw argument
Appellant, een voormalig timmerman, heeft sinds 1997 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na meerdere verzoeken tot herziening, waarbij het UWV de uitkering verhoogde en later corrigeerde naar 35 tot 45%, heeft appellant opnieuw verzocht om terug te komen op het besluit van 28 september 2020. Hij stelt dat hij vanaf 1997 volledig arbeidsongeschikt is (80-100%).
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de weigering van het UWV om het besluit te herzien ongegrond verklaard. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een herziening rechtvaardigen. Nieuwe argumenten zonder nieuwe feiten zijn onvoldoende volgens artikel 4:6 Awb Pro.
De Raad overweegt dat de klachten van appellant over hart- en psychische aandoeningen buiten beschouwing blijven omdat hij alleen verzekerd is voor rugklachten. Ook is geen sprake van reformatio in peius. Het bezwaar dat appellant niet is gehoord, ziet op een eerdere procedure en wordt niet behandeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.