ECLI:NL:CRVB:2026:873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens ontoereikende medische grondslag en opdracht tot herbeoordeling
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellante stelde dat haar fysieke en psychische beperkingen waren onderschat en dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had verricht.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante op de datum in geding meerdere chronische lichamelijke klachten en een PTSS had, die onvoldoende waren meegewogen. De deskundige stelde dat de beperkingen groter waren dan het UWV aannam, inclusief een urenbeperking vanwege verhoogd energieverbruik.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV betwistte deze conclusies, maar de deskundige handhaafde zijn oordeel in een aanvullend rapport. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het bestreden besluit een ontoereikende medische grondslag heeft.
De Raad droeg het UWV op binnen twaalf weken het besluit te herstellen door de Functionele Mogelijkheden Lijst aan te passen en de WIA-beoordeling opnieuw uit te voeren. Omdat het geding hiermee niet is afgerond, werd nog geen uitspraak gedaan over proceskosten.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en de WIA-beoordeling opnieuw uit te voeren op basis van een aangepaste medische grondslag.