ECLI:NL:CRVB:2026:873

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
23/3074 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51d AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens ontoereikende medische grondslag en opdracht tot herbeoordeling

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellante stelde dat haar fysieke en psychische beperkingen waren onderschat en dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had verricht.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante op de datum in geding meerdere chronische lichamelijke klachten en een PTSS had, die onvoldoende waren meegewogen. De deskundige stelde dat de beperkingen groter waren dan het UWV aannam, inclusief een urenbeperking vanwege verhoogd energieverbruik.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV betwistte deze conclusies, maar de deskundige handhaafde zijn oordeel in een aanvullend rapport. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het bestreden besluit een ontoereikende medische grondslag heeft.

De Raad droeg het UWV op binnen twaalf weken het besluit te herstellen door de Functionele Mogelijkheden Lijst aan te passen en de WIA-beoordeling opnieuw uit te voeren. Omdat het geding hiermee niet is afgerond, werd nog geen uitspraak gedaan over proceskosten.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en de WIA-beoordeling opnieuw uit te voeren op basis van een aangepaste medische grondslag.

Uitspraak

23/3074 WIA-T
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 oktober 2023, 22/5670 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 26 maart 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt het oordeel van de door hem geraadpleegde onafhankelijk deskundige en oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Raad geeft het Uwv de opdracht dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Eryilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Eryilmaz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft drs. T.J. Cheng, verzekeringsarts, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 11 december 2025 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. De deskundige heeft bij brief van 26 maart 2026 gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 februari 2026.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als bedrijfsleider pizzeria voor 40 uur per week. Vervolgens ontving zij vanaf 1 augustus 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 27 augustus 2018 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 maart 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 mei 2022 geweigerd appellante met ingang van 26 maart 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 18 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd overwogen dat het opvragen van informatie van behandelaars geen toegevoegde waarde had. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellante op 26 maart 2021 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de medische informatie die appellante in beroep heeft overgelegd, geen aanleiding geeft om de FML aan te passen. Hieruit volgen geen nieuwe, niet eerder bekende medisch objectiveerbare aandoeningen. Verder is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid en zorgvuldig aandacht gegeven aan de psychosociale omstandigheden en de daaruit voortkomende overbelasting en ervaren lijdensdruk. Hoe invoelbaar ook, kunnen de psychosociale problemen geen aanleiding zijn om ervaren klachten te vertalen naar beperkingen. Met de klachten van appellante heeft zij daarnaast eerder wel gewerkt. Zij wordt daarom geschikt geacht voor rustige, eenvoudige en voorspelbare, fysiek lichte, meestal zittende werkzaamheden. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zowel haar fysieke als haar psychische beperkingen zijn onderschat. Vanwege de coronapandemie is behandeling pas later op gang gekomen. Het is voor haar daardoor veel moelijker geweest om medische informatie te vergaren over de periode rondom de datum in geding. Het Uwv had daarom zelf informatie moeten opvragen bij haar behandelaren. Daarnaast blijkt uit de medische informatie die wel beschikbaar is dat sprake is van onder meer angst en depressieve klachten, zodat haar psychische problematiek wel degelijk objectiveerbaar is. Verder zijn de geselecteerde functies niet passend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een expertiserapport overgelegd van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin van 28 mei 2024.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten.
5.1.
De Raad heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen, die op 11 december 2025 een rapport heeft opgesteld. De deskundige heeft geconcludeerd dat op de datum in geding sprake was van chronische nekklachten, ACNES, gegeneraliseerde pijnklachten geduid als meest passend bij fibromyalgie en stemmingsklachten bij een PTSS. Hoewel ten tijde van de primaire beoordeling PTSS nog niet als officiële diagnose was gesteld, had appellante tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts stemmings- en angstklachten benoemd, was sprake van een belaste voorgeschiedenis met traumatische gebeurtenissen en was appellante al eerder onder behandeling geweest voor haar psychische klachten. Om de klachten grotendeels toe te dichten aan stress en om die reden niet volledig mee te wegen, is onjuist. Uit het ICF-model blijkt dat persoonlijke en externe factoren meegewogen worden wanneer deze van invloed zijn op de gezondheidstoestand. Appellante wist lange tijd redelijk te functioneren ondanks de langer aanwezige klachten, maar begon te disfunctioneren en meer onder haar lichamelijke en psychische klachten te leiden toen de externe factoren een grotere rol in haar dagelijks leven begonnen te spelen. Gezien de traumatische gebeurtenissen al voor de datum in geding hebben plaatsgevonden, ligt het voor de hand de klachten rondom de datum in geding toe te dichten aan de later vastgestelde PTSS. De deskundige heeft daarom aanleiding gezien aanvullende beperkingen aan te nemen vanwege de psychische klachten van appellante. Ook voor de lichamelijke klachten heeft de deskundige aanleiding gezien appellante meer beperkt te achten dan het Uwv heeft gedaan, omdat de mate en ernst van de pijnklachten voldoende zijn geobjectiveerd. Tot slot is volgens de deskundige een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week aangewezen, vanwege een beduidend verhoogd energieverbruik als gevolg van psychische problematiek, chronische pijn, medicatiegebruik, sociale omstandigheden en afgenomen recuperatiemogelijkheden.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat het rapport van de deskundige geen grond biedt voor aanpassing van de FML. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestaat er geen medische reden voor het aannemen van meer beperkingen, omdat een onderbouwing voor de aard en ernst van de onderliggende medische aandoeningen ontbreekt.
5.3.
Naar aanleiding van de door het Uwv gegeven reactie op het rapport heeft de deskundige in een aanvullend rapport van 26 maart 2026 geconcludeerd dat hij in deze reactie geen aanleiding ziet om zijn conclusies te wijzigen. Hij heeft hiertoe onder meer overwogen dat er al ruim voor de datum in geding een voorgeschiedenis van psychische klachten bestond, de psychische klachten besproken zijn tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts en er later door de behandelend sector een formele diagnose aan de klachten werd gekoppeld (namelijk PTSS). Zowel de aard als de ernst van de psychische klachten is wel degelijk objectiveerbaar, want consistent aanwezig in diverse gesprekken, bijvoorbeeld tijdens de behandeling door de afdeling psychiatrie in 2021. Ook werden de klachten en gebruikte medicatie vanwege psychische klachten besproken met de verzekeringsarts tijdens het spreekuur. Voor wat betreft de lichamelijke klachten heeft de deskundige overwogen dat er een duidelijk verhaal is van zorgzoekend gedrag vanwege de pijnklachten. Dat er geen ‘klassieke’ anatomische oorzaak werd aangetoond, betekent niet dat de klachten daarom niet tot beperkingen kunnen leiden. In het geval van appellante was in 2021 sprake van objectiveerbare chronische pijn. Dit volgt niet alleen uit de anamnese tijdens het spreekuur, maar ook uit het gesprek met de psychiater en de pijnstillende medicatie die zij gebruikte. Verder bezocht appellante in 2021 de reumatoloog en revalidatiearts. De verdergaande beperkingen zijn, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld, daarmee niet louter op basis van de anamnese aangenomen.
5.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft het dossier bestudeerd, de in het dossier aanwezige medische informatie bestudeerd en er vond aanvullend spreekuurcontact plaats met appellante. Appellante heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van de anamnese en hierop feitelijke correcties en eventuele aanvullingen kunnen geven. De deskundige is in zijn aanvullende rapport ingegaan op de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en heeft zijn conclusies gemotiveerd gehandhaafd. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het deskundigenrapport naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om aan de juistheid van de conclusies van de deskundige te twijfelen. De Raad gaat daarom uit van de door de deskundige aangenomen aanvullende beperkingen op de datum in geding.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Gelet op 5.1 tot en met 5.4 heeft het bestreden besluit een ontoereikende medische grondslag.
6. In dit geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. Er bestaat dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient een verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML van 28 maart 2022 in overeenstemming te brengen met de beperkingen die de deskundige in zijn rapport heeft beschreven. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien welke gevolgen dat heeft voor de aanspraken van appellante op grond van de Wet WIA.
7. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de (proces)kostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor aangegeven gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

De griffier is verhinderd te ondertekenen.