Uitspraak
27 maart 2026, 25/5503
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De zaak werd door de meervoudige kamer verwezen naar een enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.
Volgens artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de indiener van een beroepschrift griffierecht betalen. Dit is ook van toepassing op hoger beroep op grond van artikel 8:108, eerste lid, Awb. Appellante is bij brief van 11 april 2026 en bij aangetekende brief van 12 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €147,- en de uiterste betaaldatum.
De termijn voor betaling is verstreken zonder dat het griffierecht is voldaan. De Raad oordeelt dat appellante in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 7 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.