ECLI:NL:CRVB:2026:877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/2256 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in AOW-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake AOW, maar het beroepschrift is niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van de uitspraak ingediend.

De Raad heeft appellant bij brief vrijstelling verleend voor het griffierecht en de zaak zonder zitting behandeld. De termijn begon te lopen op 17 mei 2025 en eindigde op 28 juni 2025. Het beroepschrift werd pas op 27 oktober 2025 ontvangen, ruim na afloop van de termijn.

Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. De Raad concludeert daarom dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en wijst het beroep af zonder inhoudelijke behandeling.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

25/2256 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2256 AOW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 mei 2025, 24/2861 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft appellant bij brief van 17 december 2025 vrijstelling verleend voor het betalen van het griffierecht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In deze uitspraak komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant kennelijk niet-ontvankelijk is. De Raad heeft de zaak daarom zonder zitting behandeld onder toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hierna vermeldt de Raad wat het kader is waaraan wordt getoetst. Daarna licht de Raad de beslissing toe.
In artikel 6:7 van Pro de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld, is op 16 mei 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden en diezelfde dag in het digitale dossier geplaatst. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen, is aangevangen op
17 mei 2025 en geëindigd is op 28 juni 2025.
De aangevallen uitspraak is retour binnengekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij brief van 10 oktober 2025 nogmaals een kopie van de uitspraak aan appellant toegezonden, ditmaal per niet-aangetekende post. Daarbij is appellant erop gewezen dat deze tweede toezending geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 27 oktober 2025 ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij brief van 20 februari 2026 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 12 maart 2026 geantwoord dat hij over de benodigde documenten beschikt om te bewijzen dat hij op tijd hoger beroep heeft ingesteld.
De Raad heeft vervolgens nog diverse e-mailberichten van appellant ontvangen. Uit deze berichten blijkt echter niet waarom appellant niet tijdig hoger beroep heeft kunnen instellen. Appellant heeft dan ook geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare le recours interjeté non-recevable
Par conséquent, décidée par le maître Y. Sneevliet en présence de A. Giesen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 30 juin 2026.
(signé) Y. Sneevliet
(signé) A. Giesen
Les intéressés et les organes d'administration auront le droit à présenter une opposition écrite contre la présente décision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. L'intéressé présentant l'opposition pourra demander d'avoir l'opportunité d'être entendu sur son opposition.