ECLI:NL:CRVB:2026:885

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/2511 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 3.2.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurige zorg op grond van Wet langdurige zorg wegens ontbreken verstandelijke handicap

Verzoeker, geboren in 2014 en bekend met een autismespectrumstoornis (ASS), vroeg op 8 maart 2024 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld, mede op basis van een SON-IQ van 114. De psychische stoornis werd wel vastgesteld, maar geeft geen toegang tot Wlz-zorg voor personen jonger dan 18 jaar.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk een verstandelijke handicap heeft, onderbouwd met een psychologische test uit november 2024 die een TIQ tussen 70 en 81 aangaf. De medisch adviseur van het CIZ motiveerde echter dat deze score niet representatief is vanwege disharmonische scores en taalproblemen bij de verbale testonderdelen.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het CIZ terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de grondslag verstandelijke handicap. Omdat verzoeker jonger is dan 18 jaar, geeft de grondslag psychische stoornis geen toegang tot Wlz-zorg. Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden afgewezen, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor Wlz-zorg wordt bevestigd omdat de grondslag verstandelijke handicap niet is vastgesteld en de psychische stoornis geen toegang geeft tot Wlz voor minderjarigen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2511 WLZ, 26/911 WLZ-VV
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 november 2025, 25/1576 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb van 28 mei 2026
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het CIZ
Datum uitspraak: 29 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of verzoeker in aanmerking komt voor Wlz-zorg. De voorzieningenrechter is het eens met de rechtbank en het CIZ dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld. De grondslag psychische stoornis is wel aan de orde, maar geeft verzoeker alleen al geen toegang tot de Wlz, omdat hij jonger is dan 18 jaar.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het CIZ heeft zowel in de bodemzaak als in de voorlopige voorziening een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juni 2026. Verzoeker is verschenen, vergezeld van zijn moeder en wettelijk vertegenwoordiger [naam moeder] , bijgestaan door mr. Faber. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bruijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Verzoeker, geboren in 2014, is bekend met een autismespectrumstoornis (ASS), waarvan de mate van ernst binnen de domeinen sociale communicatie en repetitief gedrag zeer substantiële ondersteuning vereist. Namens verzoeker is op 8 maart 2024 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met een besluit van 4 september 2024, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 6 maart 2025 (bestreden besluit), heeft het CIZ deze aanvraag afgewezen. Het CIZ heeft zich – onder verwijzing naar medische adviezen van 3 september 2024 en 19 februari 2025 – op het standpunt gesteld dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld. Daartoe heeft de medisch adviseur verwezen naar de in 2023 uitgevoerde SONintelligentietest, waarbij de intelligentie van verzoeker is vastgesteld op 114. Bij een SON-IQ van 114 is geen sprake van de grondslag verstandelijke handicap. De uitslag van de testen waarnaar in bezwaar is verwezen (ESSEON en Vineland) laten de gevolgen van autisme zien en niet problemen in de intelligentie. De grondslag psychische stoornis kan wel worden vastgesteld, maar geeft alleen toegang tot de Wlz voor personen vanaf 18 jaar.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het CIZ het bestreden besluit mocht baseren op het advies van 19 februari 2025, waarin de medisch adviseur deugdelijk en inzichtelijk heeft uitgelegd, dat in de situatie van verzoeker sprake is van de grondslag psychische stoornis die hem nu geen toegang biedt tot Wlz-zorg. De medisch adviseur heeft alle ingebrachte (medische) informatie bij haar beoordeling betrokken. Het CIZ heeft op basis van dit advies terecht geconcludeerd dat de grondslag verstandelijke handicap op basis van verzoekers vastgestelde IQ niet vastgesteld kan worden. Het medisch advies van 25 september 2025, dat is opgesteld in reactie op het bij de rechtbank overgelegde psychologisch onderzoek, is ook overtuigend.
Het standpunt van verzoeker
3. Verzoeker is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft onder verwijzing naar wat hij in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd in zijn verzoek om een voorlopige voorziening naar voren gebracht dat hij verstoken is van de voor hem noodzakelijke hulp en dat spoed daarom geboden is. Verzoeker wil graag met een persoonsgebonden budget zorg inkopen bij een zorgverlener die zijn specifieke voorkeur heeft. Verzoeker meent dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wlz-indicatie, omdat bij hem onder meer sprake is van een verstandelijke handicap en ASS, waardoor hij blijvend is aangewezen op 24 uur zorg in de nabijheid.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. De wettelijke regels die voor de beoordeling belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Als beroep bij de Raad is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1] Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het hoger beroep, de hoofdzaak, geeft de wet de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich in deze zaak voor en ook verder zijn er geen redenen om niet onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. [2]
Beoordeling van de hoofdzaak
4.2.
De in deze zaak te beoordelen periode loopt van 8 maart 2024 (datum aanvraag) tot en met 6 maart 2025 (datum bestreden besluit).
4.3.
Verzoeker heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht en zich grotendeels beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De voorzieningenrechter verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De voorzieningenrechter voegt daar het volgende aan toe.
4.4.
Verzoeker heeft aangevoerd dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de door hem bij de rechtbank overgelegde psychologische test van 14 november 2024, met de daarin genoemde score op de totale intelligentie (TIQ) van tussen de 70 en 81. Dit betoog slaagt niet, gelet op het volgende.
4.5.
De medisch adviseur van het CIZ heeft in het advies van 25 september 2025 uiteengezet dat de TIQ uit de WISC-test van 14 november 2024 door de sterk disharmonische scores niet mag worden geïnterpreteerd als representatief voor verzoekers intelligentie. De medisch adviseur heeft daarbij onder meer toegelicht dat een drietal gemeten scores binnen de range van het normale liggen en dat de lage score op de Verwerkingssnelheid Index vaker wordt gezien bij mensen met autisme. Met betrekking tot de laagste score, te weten die op de Verbaal Begrip Index, heeft de medisch adviseur er op gewezen dat de WISC-test in het Nederlands is afgenomen, terwijl verzoeker is gericht op de Engelse taal. Dit brengt mee dat verzoeker moeite kan hebben met de instructie en de uitvoering van de verbale taken, omdat deze Nederlandse antwoorden vereisen. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit ook als zodanig is benoemd in het bij de test behorende psychologisch onderzoeksverslag. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat de medisch adviseur van het CIZ hiermee overtuigend heeft gemotiveerd dat bij verzoeker de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de medisch adviseur eerder al heeft vermeld dat uit informatie van Jonx blijkt dat de ASS-diagnose van verzoeker sterk van invloed is op zijn ontwikkeling en functioneren en dat de belangrijkste ontwikkelpunten ondersteuning bij de ASS en taalontwikkeling zijn.
4.6.
Dit betekent dat het CIZ zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor Wlz-zorg, omdat de grondslag psychische stoornis op grond van de leeftijd van verzoeker geen toegang geeft tot de Wlz. Of verzoeker blijvend is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid kan dan ook onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
4.8.
Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en de betaalde griffierechten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) R.R. Olde Engberink

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81, eerste lid
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:86, eerste lid
Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.1
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen,
1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
2. ( )
3. ( )
4. ( )
5. ( )
6. In afwijking van het eerste lid heeft een jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1 van de Jeugdwet geen recht op zorg indien hij vanwege een psychische stoornis een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Awb.
2.Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.