ECLI:NL:CRVB:2026:886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/2468 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoevendheid

Appellant heeft een aanvraag om bijstand ingediend voor de periode van 15 februari 2020 tot en met 11 juli 2023. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien.

Appellant stelde dat hij leningen had afgesloten bij zijn broer en zus om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing overlegde hij verklaringen van zijn broer en zus en bankafschriften. De verklaringen gaven echter geen duidelijkheid over wanneer en voor welke kosten de leningen zijn gebruikt. De bankafschriften toonden geen betalingen aan appellant, en de transacties vertoonden een onregelmatig patroon zonder duidelijke samenhang met de gestelde leningen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast om aan te tonen dat hij gedurende de te beoordelen periode kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt en dat daarin niet was voorzien. Ook de terugbetalingen aan de broer in 2024 en 2025 maakten dit niet aannemelijk. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoevendheid.

Uitspraak

24/2468 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2024, 24/3111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.R. Olde Engberink
Voor appellant is mr. D. Gürses, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Kaddouri en mr. I. Plaisier.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak over de afwijzing van een aanvraag om bijstand over een periode voorafgaand aan de aanvraag. De in hoger beroep nog te beoordelen periode is de periode vanaf 15 februari 2020 tot en met 11 juli 2023.
Het college heeft de aanvraag over die periode in het verleden inhoudelijk beoordeeld, omdat een eerdere intrekking van de verblijfsvergunning van appellant ongedaan is gemaakt, maar de aanvraag uiteindelijk afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
De bewijslast voor de bijstandbehoevendheid ligt, ook bij een beoordeling van het recht op bijstand over een periode in het verleden, in beginsel op de aanvrager. Het aanvullende karakter van de Participatiewet brengt mee dat – voor zover anderen in een achteraf te beoordelen periode hebben voorzien in de kosten van levensonderhoud van een aanvrager – dit aan bijstandsverlening met terugwerkende kracht in de weg staat. De aanvrager dient daarom aannemelijk te maken dat hij over de achteraf te beoordelen periode kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt en tot welke omvang, en dat daarin nog niet is voorzien. Appellant is in zijn bewijslast niet geslaagd en daartoe is het volgende van belang.
Appellant heeft alleen gesteld dat hij leningen heeft afgesloten bij zijn broer en zus om in de te beoordelen periode te voorzien in kosten van levensonderhoud. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zijn broer en zus en bankafschriften van hen beiden. De broer heeft op 27 juli 2023 verklaard dat hij € 2.500,- heeft geleend aan appellant en de zus heeft op diezelfde datum verklaard € 3.250,- aan appellant te hebben geleend. Bij de stukken zitten ook verklaringen van appellant zelf. Dit betreft een verklaring van 1 juni 2023, inhoudende dat hij € 2.500,- heeft geleend van zijn broer en een verklaring van 30 maart 2020, inhoudende dat hij € 3.250,- heeft geleend van zijn zus.
Hiermee is niet duidelijk wanneer appellant welke bedragen van wie heeft geleend om te voorzien in welke kosten. De verklaringen van de broer en zus maken niet duidelijk in welke kosten appellant heeft voorzien met de gestelde leningen. Uit de overgelegde bankafschriften van de broer en de zus blijkt verder niet van betalingen aan appellant. Alleen de (niet volledig overgelegde) bankafschriften van de broer zien op de te beoordelen periode, maar deze afschriften tonen alleen overschrijvingen afkomstig van de zus en kasopnames. Aanknopingspunten dat en wanneer die bedragen appellant ten goede zijn gekomen ontbreken. De verklaringen en de bankafschriften sluiten op dit punt ook niet op elkaar aan. De bijschrijvingen en opnames vertonen een onregelmatig patroon, zowel in tijd als in hoogte van de bedragen. Zo is in de periode tussen 28 november 2021 tot 23 maart 2022 geen opname of overschrijving zichtbaar op de bankafschriften, terwijl zowel de broer als de zus hebben verklaard dat zij appellant maandelijks hebben geholpen met zijn kosten. De omstandigheid dat appellant in juli 2024, februari en april 2025 betalingen heeft gedaan aan zijn broer met vermelding ‘terugbetaling schuld’ maakt niet dat dat appellant alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat en in welke omvang er over de te beoordelen periode niet is voorzien in de kosten van levensonderhoud.
Appellant heeft verder geen opgave en dus zeker geen gedetailleerde en nauwkeurige opgave gedaan van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing voor de hier te beoordelen periode in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) P.W. van Straalen