ECLI:NL:CRVB:2026:886
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoevendheid
Appellant heeft een aanvraag om bijstand ingediend voor de periode van 15 februari 2020 tot en met 11 juli 2023. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien.
Appellant stelde dat hij leningen had afgesloten bij zijn broer en zus om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing overlegde hij verklaringen van zijn broer en zus en bankafschriften. De verklaringen gaven echter geen duidelijkheid over wanneer en voor welke kosten de leningen zijn gebruikt. De bankafschriften toonden geen betalingen aan appellant, en de transacties vertoonden een onregelmatig patroon zonder duidelijke samenhang met de gestelde leningen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast om aan te tonen dat hij gedurende de te beoordelen periode kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt en dat daarin niet was voorzien. Ook de terugbetalingen aan de broer in 2024 en 2025 maakten dit niet aannemelijk. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoevendheid.