ECLI:NL:CRVB:2026:89
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering op basis van arbeidsvermogen
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 28 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellant. Appellant, geboren in 1992, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, waarbij hij stelde dat hij op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna niet over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv had echter vastgesteld dat appellant wel degelijk arbeidsvermogen had en weigerde de uitkering. De rechtbank Limburg had het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat het Uwv voldoende medische en arbeidskundige grondslagen had voor de weigering van de uitkering. De Raad oordeelde dat appellant in de te beoordelen periode beschikte over arbeidsvermogen, ondanks zijn aandoeningen zoals autisme en hartproblemen. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om aan de conclusies van deze artsen te twijfelen.
Appellant voerde aan dat hij niet adequaat was beoordeeld en dat zijn aandoeningen niet goed waren meegenomen in de beoordeling van zijn arbeidsvermogen. De Raad heeft echter geconcludeerd dat de argumenten van appellant niet voldoende waren om de eerdere oordelen te weerleggen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het Uwv om de Wajong-uitkering te weigeren, en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van arbeidsvermogen in het kader van de Wajong-regeling.