ECLI:NL:CRVB:2026:89

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/615 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering op basis van arbeidsvermogen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 28 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellant. Appellant, geboren in 1992, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, waarbij hij stelde dat hij op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna niet over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv had echter vastgesteld dat appellant wel degelijk arbeidsvermogen had en weigerde de uitkering. De rechtbank Limburg had het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarna appellant in hoger beroep ging.

De Raad heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat het Uwv voldoende medische en arbeidskundige grondslagen had voor de weigering van de uitkering. De Raad oordeelde dat appellant in de te beoordelen periode beschikte over arbeidsvermogen, ondanks zijn aandoeningen zoals autisme en hartproblemen. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om aan de conclusies van deze artsen te twijfelen.

Appellant voerde aan dat hij niet adequaat was beoordeeld en dat zijn aandoeningen niet goed waren meegenomen in de beoordeling van zijn arbeidsvermogen. De Raad heeft echter geconcludeerd dat de argumenten van appellant niet voldoende waren om de eerdere oordelen te weerleggen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het Uwv om de Wajong-uitkering te weigeren, en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van arbeidsvermogen in het kader van de Wajong-regeling.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/615 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
20 februari 2025, 23/913 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op de dag dat hij achttien jaar is geworden en de periode van vijf jaar daarna (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak, gedeeltelijk via videobellen, behandeld op een zitting van 17 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 4 juli 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij autisme, erfelijke cardiomyopathie en hypercholesterolemie heeft. Bij de aanvraag heeft appellant een indicatiebesluit van het CIZ van 24 mei 2022, een ongedateerd schrijven van een revalidatiearts, brieven van een klinisch geneticus van 9 september 2019, een assistent-orthopedie van 29 november 2017, een psycholoog van 20 september 2018, een orthopedagoog van 22 maart 2022 en een brief van PsyQ van 23 augustus 2018 gevoegd. Ook is een brief van de huisarts van 17 september 2022 overgelegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant op zijn achttiende verjaardag en vijf jaar daarna arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 13 oktober 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 21 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Het Uwv heeft beoordeeld of appellant arbeidsvermogen heeft op zijn achttiende verjaardag ([geboortedatum] 2010) en de periode van vijf jaar daarna (tot [geboortedatum] 2015).
2.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een laattijdige aanvraag: appellant heeft de Wajong-aanvraag ingediend ruim twaalf jaar na zijn achttiende verjaardag en ruim zeven jaar na afloop van de te beoordelen periode. Dat ruime tijdsverloop maakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval tot de conclusie kon komen dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde had. Beoordeeld moest worden immers de medische situatie zoals die was in de te beoordelen periode en niet zoals die was ten tijde van de aanvraag, jaren later. Over de periode in geding is veel medische informatie beschikbaar. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) deze informatie niet kenbaar of niet toereikend in hun beoordeling heeft meegewogen.
2.2.2.
Er zijn volgens de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie van appellant hebben onderschat. De verzekeringsartsen hebben bij hun beoordeling rekening gehouden met de in de Wajong verzekerde periode vastgestelde beperkingen. Appellant heeft een autistische stoornis waardoor hij snel overvraagd wordt en ontregeld wordt. Daarnaast heeft hij een genetische afwijking aan de hartspier. Appellant is – ondanks die beperkingen – in staat gebleken om vier uur per dag en één uur aaneengesloten te werken en een opleiding te volgen. Ook heeft appellant naar de mening van de verzekeringsartsen in medische zin basale werknemersvaardigheden. Appellant heeft geen medische onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat zijn belastbaarheid onjuist is ingeschat. Hierbij heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om appellant te volgen in zijn betoog dat anders dan de verzekeringsartsen hebben geconcludeerd, de chronische vermoeidheid (CVS) vóór 2016 en binnen de te beoordelen periode is ontstaan en dus in de weging meegenomen had moeten worden. Appellant heeft verwezen naar de ongedateerde ‘Eindbrief behandeling’ van revalidatiearts dr. V.F. Voerman, die is opgesteld naar aanleiding van de revalidatiebehandeling die appellant onderging van 7 februari 2018 tot en met 5 juni 2018. Uit deze brief heeft de rechtbank niet opgemaakt dat de CVS een gevolg is van de hartziekte.
2.3.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft uiteengezet waarom hij vindt dat appellant basale werknemersvaardigheden had in de te beoordelen periode en een taak kon uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Appellant is in staat gebleken instructies van een werkgever te onthouden en uit te voeren. Ook is hij in staat gebleken om gemaakte afspraken met een werkgever na te komen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dit afgeleid uit het gegeven dat appellant diverse diploma’s heeft behaald en stages heeft doorlopen. Als taak die appellant zou kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoemd de taak ‘inpakken’ (taaknummer 2201 in het takenbestand van het Uwv).
2.3.2.
De grond van appellant dat hij zeer veel ondersteuning nodig heeft, zelfs een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg heeft voor 24-uurs ondersteuning en alleen met begeleiding beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, slaagt niet. Dat appellant veel moeite heeft gehad om te functioneren in de banen die hij heeft gehad en daarbij boven zijn kunnen heeft moeten functioneren, heeft de rechtbank alleszins voorstelbaar geacht. De eisen die worden gesteld aan het hebben van arbeidsvermogen volgens de regels in de Wajong zijn echter veel lager dan de eisen die reguliere arbeid doorgaans aan mensen stelt: de ondergrens is of iemand in een beschutte werkomgeving zou kunnen functioneren. Het werk dat appellant heeft gedaan bij apotheken en als toezichthouder bij een zwembad zijn zeker niet als ondergrens van arbeid te definiëren. Dat appellant veel begeleiding nodig heeft gehad bij zijn werkzaamheden, betekent daarom niet dat hij dus geen basale werknemersvaardigheden had en geen taak kon verrichten in de te beoordelen periode.
2.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft namelijk toereikend gemotiveerd dat in de te beoordelen periode, geen sprake is van de situatie dat appellant duurzaam niet beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft (kort samengevat) herhaald dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is, omdat er geen fysiek spreekuurcontact heeft plaatsgevonden. Appellant is van mening dat hij gezien en gehoord had moeten worden door een verzekeringsarts, zodat de beperkingen juist worden vastgesteld. De aandoeningen Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en hartfalen zijn weliswaar na de achttiende verjaardag gesteld, maar waren ook al aanwezig op de achttiende verjaardag. De CVS is een gevolg van deze aandoeningen en speelde dus ook al op de achttiende verjaardag. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij onder andere informatie van de GZ-psycholoog van 31 juli 2019, cardioloog van 29 juli 2019, ergotherapeut van 11 november 2024 en van Adelante, physician assistant van 25 augustus 2023 (nogmaals) overgelegd. Appellant heeft ook herhaald dat hij geen basale werknemersvaardigheden heeft en geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Met hulp van begeleiding kan hij een afspraak nakomen. Als hij een taak moet uitvoeren raakt hij overprikkeld en overbelast. Appellant verzoekt om inschakeling van een onafhankelijk deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 juni 2025, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het ruime tijdsverloop gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval tot de conclusie kon komen dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde had. Beoordeeld moest worden immers de medische situatie zoals die was in de te beoordelen periode en niet zoals die was ten tijde van de aanvraag, jaren later.
5.4.
In de (medische) informatie die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 juni 2025 de in hoger beroep ingebrachte gegevens beoordeeld en nogmaals toegelicht dat het niet plausibel is dat de forse vermoeidheid/CVS in de te beoordelen periode aanwezig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij ook het stuk van Adelante in zijn oordeelsvorming betrokken. Hierin wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aangegeven dat de CVS een onderdeel is van de diagnose ASS. Uit dit verslag en andere verslagen volgt evenmin dat de CVS reeds op achttienjarige leeftijd aanwezig was. De forse vermoeidheid/CVS is pas in 2016 actueel geworden. Appellant heeft vermoeidheid evenmin als oorzaak aangedragen waarom hij eerdere werkzaamheden niet volhield. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder benadrukt dat de huidige situatie niet representatief is voor het achttiende levensjaar. De huidige belastbaarheid, inclusief de inhoud van de brieven van de ergotherapie die toezien op heden, zijn zodoende niet vertaalbaar naar de situatie op het achttiende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten slotte gemotiveerd toegelicht dat gezien het arbeidsverleden van appellant er geen argumenten zijn waaruit blijkt dat appellant niet ten minste vier uur per dag belastbaar was, noch dat appellant niet ten minste een uur aaneengesloten met een taak bezig kon zijn zonder nood aan interventie door een derde.
5.5.
Nu in hoger beroep geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant in de te beoordelen periode beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft. In het voorgaande ligt besloten, dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J. Bonnema