ECLI:NL:CRVB:2026:898

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
23/2149 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in juni 2018 en werd door het UWV beoordeeld als 15,26% arbeidsongeschikt, waardoor de uitkering werd geweigerd. De rechtbank vernietigde een eerder besluit, maar het UWV handhaafde het bezwaarbesluit. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusies van de door appellante ingeschakelde neuroloog onvoldoende weerspraken, en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten en beperkingen niet volledig in de FML waren opgenomen en dat de diagnose chronisch pijnsyndroom een urenbeperking rechtvaardigt. Zij bracht aanvullende medische rapporten in, waaronder van een pijnspecialist en neuroloog, maar deze boden geen medische objectieve onderbouwing voor zwaardere beperkingen. De Raad volgde het standpunt van het UWV dat de beperkingen passend waren en dat er geen medische noodzaak was voor een urenbeperking.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/2149 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juni 2023, 22/2344 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 12 juni 2020 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Beukema hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd met rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kessels, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als assistent supervisor voor 40 uur per week. Op 15 juni 2018 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 mei 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante berekend op 15,26%. Het Uwv heeft bij besluit van 8 juni 2020 geweigerd appellante met ingang van 12 juni 2020 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. In de uitspraak van 11 november 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland het besluit van 19 oktober 2020 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen en conclusies van de door appellante ingeschakelde deskundige neuroloog J.U.R. Niewold voldoende weersproken. De rechtbank heeft in de beschikbare medische rapporten voldoende aanleiding gevonden om te oordelen dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar zijn. De rechtbank heeft de onderzoeksbevindingen van Niewold onvoldoende overtuigend geacht om zwaardere beperkingen aan te nemen dan al in de FML zijn opgenomen. De beschreven ernst van de bevindingen wijst daar niet op, evenmin als de stelling dat sommige behandelaars wel afwijkingen hebben gevonden. Andere behandelaars zijn immers tot andere bevindingen gekomen die meer stroken met het standpunt van het Uwv. De rechtbank heeft de kritiek van Niewold op de rapporten van de anesthesioloog en de neuroloog onvoldoende overtuigend geacht om deze niet mee te wegen. De vaststelling van Niewold dat de klachten van appellante goed invoelbaar zijn en/of in het patroon van appellante passen en consistent zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van medische objectiveerbaarheid. De rechtbank heeft verder overwogen dat geen discussie bestaat over de aanwezigheid van ziekte of gebrek omdat de medisch adviseurs uitgaan van chronisch pijnsyndroom, rugklachten en psychische problematiek. Er zijn relatief forse beperkingen aangenomen en voor de specifiek door Niewold aangedragen wijzigingen heeft de rechtbank noch in zijn rapport noch in de rapporten van de behandelaars van appellante aanleiding gezien. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat het hebben van pijnklachten niet voldoende is voor het aannemen van meer beperkingen. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden en dat het in de functies met SBC-codes 267051, 267053 en 315132 mogelijk is de werkzaamheden te onderbreken om even te vertreden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de bij haar bestaande overduidelijke en waarneembare klachten en beperkingen niet in de FML worden overgenomen. Dit geldt temeer nu er geen discussie is over de diagnose, te weten chronisch pijnsyndroom. Uit de verslaglegging van de verzekeringsartsen valt niet af te leiden dat een beoordeling heeft plaatsgevonden op de al dan niet bestaande logische consistente samenhang tussen de stoornissen, beperkingen en handicaps. De door appellante ingeschakelde deskundige Niewold heeft dit wel gedaan en acht de klachten en beperkingen logisch en consistent voortvloeien uit het ziektebeeld en logisch en consistent samenhangen met de beperkingen in het dagelijks leven en handicaps in de sociale rolvervulling. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een conceptrapport van 10 januari 2025 (en het eindrapport van 12 juni 2025) van pijnspecialist prof. dr. F.J.P.M. Huygen en de reactie van 25 februari 2025 daarop van Niewold in het geding gebracht. Daarna heeft appellante twee aanvullende reacties van 17 februari 2026 en 16 maart 2026 van Niewold in het geding gebracht. Hieruit blijkt volgens appellante duidelijk dat sprake is van ziekte en dat logisch uit dat ziektebeeld voortvloeiende klachten en beperkingen onder meer een verdergaand vermoeidheidsprobleem met zich kan meebrengen. Appellante heeft verder gesteld dat het Uwv in strijd handelt met de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, waarin staat dat bij pijnsyndromen wel degelijk een urenbeperking aan de orde kan zijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft – onder verwijzing naar rapporten van 23 mei 2025 en 13 oktober 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat sprake is van ziekte en gebrek, te weten neuropatische pijn in het onderbeen en rugpijn, aspecifiek, chronisch, PTSS en een aanpassingsstoornis. Voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de daaruit voortkomende beperkingen heeft onderschat, is in de medische stukken geen aanknopingspunt te vinden. De rapporten van Niewold en Huygen geven geen aanleiding anders te oordelen. Zij zijn niet tot andere diagnoses gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in het standpunt dat Niewold zich vooral lijkt te hebben laten leiden door de anamnese en het dagverhaal. Niewold heeft hoe dan ook niet toegelicht of gemotiveerd op basis van welke medisch objectieve gegevens van meer beperkingen moet worden uitgegaan. Huygen heeft ten aanzien van het functieverlies en de te stellen beperkingen gewezen op een door appellante zelf ingevulde
Pain Disability Questionnaireen Beperkingenlijst (zelfevaluatie) en daaruit geconcludeerd dat sprake is van sterke beperkingen in de onderste extremiteit, rug en de bovenste extremiteit. Een nadere onderbouwing hiervan komt in het rapport niet voor. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat het hebben van pijnklachten op zichzelf niet voldoende is voor het aannemen van (meer) beperkingen. Zonder afbreuk te willen doen aan de door appellante ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, ziet de Raad in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Het Uwv erkent dat appellante veel klachten heeft en beperkingen ervaart. Daarom is er per datum in geding ook een FML opgesteld waarin de (forse) arbeidsbeperkingen van appellante zijn neergelegd. Aan appellante kan worden toegegeven dat de diagnose pijnsyndroom de noodzaak van een urenbeperking met zich kan brengen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten echter navolgbaar toegelicht dat met de aangenomen beperkingen voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante en dat, als rekening wordt gehouden met de beperkingen zoals neergelegd in de FML, er in de situatie van appellante geen medische noodzaak is voor een urenbeperking omdat geen sprake is van een ernstige aandoening van energetische aard, een aandoening die gepaard gaat met een verlengde recuperatietijd of een aandoening waarbij het preventieve aspect aan de orde is, terwijl ook de beschikbaarheid niet in het geding is. Een medisch-objectieve onderbouwing voor het aannemen van aanvullende beperkingen is als gezegd niet gebleken.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft en er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding, in de vorm van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) D. Semiz