ECLI:NL:CRVB:2026:899

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/88 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegenomen, met name vanwege psychische klachten zoals PTSS, concentratieproblemen en vermoeidheid. Ook verwees zij naar een beoordelingsrapport in het kader van de WSNP en vroeg zij om rust voor herstel. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de medische beoordeling, inclusief de Functionele Mogelijkhedenlijst, juist en voldoende was onderbouwd.

De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellante zou kunnen vervullen. De Raad vond geen aanleiding om aan de geschiktheid van deze functies te twijfelen. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2024, 24/255 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 10 oktober 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Folkers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 september 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Folkers. Het Uwv is niet verschenen.
De Raad heeft het onderzoek heropend en schriftelijke vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Appellante heeft hierop gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als leerling kraamverzorgende voor gemiddeld 23,30 uur per week. Op 12 oktober 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 februari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0,00%. Het Uwv heeft bij besluit van 21 februari 2023 geweigerd appellante met ingang van 10 oktober 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 4 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien af te wijken van de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de bij de primaire beoordeling geselecteerde functies nog steeds geschikt geacht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de verzekeringsartsen verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. In de stelling van appellante dat het spreekuur met de verzekeringsarts erg kort was, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om anders te oordelen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat appellante in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) was vrijgesteld van haar sollicitatieplicht, betekent niet dat appellante geen arbeidsmogelijkheden heeft in het kader van de Wet WIA. Het in het kader van de WSNP door een verzekeringsarts opgestelde Beoordelingsrapport sollicitatieplicht WSNP heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel bij zijn beoordeling betrokken. Van belang is echter dat het rapport ziet op een beoordelingsdatum na de datum in geding. Bovendien wijkt de regelgeving van de WSNP af van die van de Wet WIA. Ook het behandelplan van Mentaal Beter geeft geen aanleiding tot twijfel aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat de behandeling is gestart na de datum in geding en uit het overgelegde behandelplan van 7 juni 2023 niet is af te leiden dat de medische situatie ook op de datum in geding van toepassing zou zijn. Appellante heeft volgens de rechtbank geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij verdergaande medisch objectiveerbare beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen. De omstandigheid dat appellante het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen door de verzekeringsarts onvoldoende zijn meegenomen. De aangenomen beperkingen zijn slechts gebaseerd op waarnemingen tijdens het spreekuur. Volgens appellante kan zij in ieder geval niet in de nacht werken en zou ook een urenbeperking moeten worden aangenomen. Bovendien zouden meer beperkingen moeten worden aangenomen in verband met concentratieproblemen, vermoeidheid, haar mentale gesteldheid (PTSS), een laag energieniveau, overprikkeling en schouderklachten. De beperkingen die appellante heeft in verband met de psychische decompensaties zijn volgens haar onvoldoende weergegeven in de FML. Verder vraagt appellante opnieuw aandacht voor het Beoordelingsrapport sollicitatieplicht WSNP van 12 april 2023 dat door een verzekeringsarts is opgesteld. Appellante stelt dat van dit rapport niet zomaar kan worden afgeweken. Verder voert appellante aan dat zij het Uwv meermaals heeft verzocht haar de rust en ruimte te bieden voor haar (medische) behandeling en herstel. Hieraan heeft het Uwv geen gehoor gegeven. Appellante acht zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten over de beperkingen van appellante per 10 oktober 2022, zoals neergelegd in de FML van 16 februari 2023. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie van Mentaal Beter en de Beoordelingsrapportage sollicitatieplicht WSNP betrokken. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben onderkend dat appellante beperkingen ondervindt van de complexe psychische klachten. Van psychische decompensatie was op de datum in geding echter geen sprake. In de FML van 16 februari 2023 is in verband met deze klachten een (groot) aantal beperkingen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en rubriek 2 (sociaal functioneren) aangenomen. Appellante heeft niet met nadere medische stukken onderbouwd dat sprake was van verdergaande psychische klachten op de datum in geding. De verzekeringsarts Van der Horst heeft in zijn Beoordelingsrapportage sollicitatieplicht WSNP weliswaar geconcludeerd dat er sprake is van een (verhoogd risico op) ziekten en/of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen, maar uit zijn rapport blijkt niet op welke punten appellante beperkt moet worden geacht. Uit dit rapport kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen. Dat Van der Horst appellante op dat moment niet structureel belastbaar achtte, hield verband met een ‘actueel heftig PTSS’ samen met de verwachte start van de behandeling binnen acht weken. Daarvan was op de datum in geding geen sprake.
5.3.
In zijn rapport van 10 november 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad nader toegelicht dat uit het behandelplan van Mentaal Beter blijkt dat appellante in haar leven veel heeft meegemaakt, maar dat zij zich toch redelijk staande heeft weten te houden. Uit de brief die appellante bij haar WIAaanvraag heeft ingediend, blijkt ook dat appellante op dat moment (2 augustus 2022) goed bezig was om haar lijf weer op niveau te brengen door gezond eten, sporten etcetera. Ook voelde zij zich sterk en psychisch goed genoeg om een opleiding te starten. Voor het aannemen van een urenbeperking naast de aangenomen fysieke beperkingen, bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding. Daarbij heeft deze arts er onder meer op gewezen dat er geen medische indicatie is voor het slapen in de middag en er meer sprake lijkt te zijn van gewenning. Een tijdelijke pauze – zoals door appellante gewenst – om wat ze ervaren heeft te verwerken is geen medische grond om een urenbeperking aan te nemen. Ditzelfde geldt voor de verzorging van haar kind. De Raad kan deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De stelling van appellante dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten, slaagt niet. De kanttekeningen die appellante heeft gemaakt bij de geduide functies gaan uit van beperkingen die niet door het Uwv zijn gesteld. Zoals uit 5.2 en 5.3 volgt, is de belastbaarheid op juiste wijze verwoord in de FML van 16 februari 2023. Hiervan uitgaande bestaat geen aanleiding om aan de geschiktheid van de geduide functies te twijfelen. De arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben inzichtelijk gemotiveerd dat appellante, uitgaande van de vastgestelde belastbaarheid in staat moet worden geacht de aan de geduide functies verbonden werkzaamheden te verrichten.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de WIAuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.