ECLI:NL:CRVB:2026:902

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/1371 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd

Appellant, voormalig stockmedewerker, kreeg een Ziektewet-uitkering na fysieke klachten door een fiets- en later een scooterongeluk. Het UWV beëindigde de uitkering per 17 februari 2023, omdat een verzekeringsarts appellant geschikt achtte voor zijn laatste werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig en goed gemotiveerd werd beoordeeld.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn fysieke en psychische belastbaarheid onjuist was vastgesteld en vroeg om een onafhankelijke deskundige. Hij overhandigde nieuwe medische stukken van een revalidatiearts, GZ-psycholoog en psychosomatisch fysiotherapeut. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant geschikt is voor zijn werk.

De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerden dat de nieuwe medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Er was geen aanwijzing voor urenbeperking en het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 17 februari 2023 wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor zijn laatste werk.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1371 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
23 mei 2025, 23/8632 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 17 februari 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om zijn eigen werk te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri en zijn moeder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als stockmedewerker voor 45 uur per week. In 2018 heeft hij een fietsongeluk gehad, waardoor hij veel last had van kneuzingen en geschaafde plekken aan zijn lichaam. Op 13 augustus 2021 heeft hij zich ziekgemeld met fysieke klachten. De arbeidsovereenkomst is 17 januari 2022 beëindigd. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant heeft op 3 januari 2023 een scooterongeluk gehad. Na een aanrijding door een auto is hij links geraakt en op de rechterzijde gevallen. Aan dit ongeluk heeft appellant fysieke, eet- en slaapklachten overgehouden. Appellant heeft op 12 januari 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant na verzekeringsgeneeskundig onderzoek per 17 februari 2023 geschikt geacht voor zijn laatste werk. Met een besluit van 17 februari 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien waarbij een psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. Hij heeft het dossier met de daarin aanwezige informatie en de overgelegde informatie van de behandelaars bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, appellant psychisch onderzocht en na de hoorzitting ontvangen medische informatie bij haar oordeel betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afgezien van een lichamelijk onderzoek, omdat voldoende informatie in het dossier aanwezig was.
2.2.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant in haar rapporten op inhoudelijke en zorgvuldige wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
2.2.1.
De verzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 12 januari 2023 bij eigen onderzoek geen functionele beperkingen vastgesteld. Na bestudering van de ontvangen medische informatie is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant per 17 februari 2023 geschikt is voor zijn eigen werk. Daarbij heeft hij overwogen dat ook uit de verkregen medische informatie duidelijk is geworden dat geen sprake was van objectiveerbare afwijkingen.
2.2.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 14 november 2013 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om het oordeel van de verzekeringsarts te herzien. Uit de door de verzekeringsarts opgevraagde informatie blijkt geen objectiveerbare neurologische schade of cerebrale schade, en de röntgenfoto van de rechterschouder laat geen afwijkingen zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts overwogen dat in het eigen werk als stockmedewerker de fysieke belasting niet continue uit zwaar tillen/dragen of duwen/trekken bestaat. Het maken van rotaties met de rug is ook geen kenmerkende belasting in dit werk. Ten aanzien van de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant geen specifieke psychische klachten heeft aangegeven en geen behandeling volgde.
2.2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 29 oktober 2024 overwogen dat het ingebrachte informatieve huisartsenjournaal niet leidt tot een ander oordeel over de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk als stockmedewerker. De bevindingen ten aanzien van de lichamelijke klachten na een ongeluk in 2018 en op 3 januari 2023 zijn in lijn met de medische informatie in het huisartsenjournaal. Ook is gebleken dat hij geen breuk van zijn rechterschouder heeft opgelopen. Het is mogelijk dat een nieuw ongeval een trigger kan zijn voor PTSS/angstklachten, waarvoor hij eerder een traumabehandeling heeft gevolgd maar deze niet heeft afgemaakt. Dat appellant zijn eindexamen met enige vertraging wist te behalen, duidt niet op ernstige beperkingen van het persoonlijke en sociale functioneren. Bovendien is het eigen werk als stockmedewerker psychisch niet belastend. Er is geen sprake van een dwingend werktempo en foutloos kunnen werken is geen vereiste. Ook zijn er geen contacten met hulpbehoevenden en zieken. Derhalve wordt zijn belastbaarheid door de belasting in het eigen werk niet overschreden en houdt het oordeel van de verzekeringsarts stand, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat zijn fysieke en psychische belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat ten onrechte geen urenbeperking op grond van de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid is aangenomen. Hij heeft in dat verband verwezen naar het dagverhaal. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep stukken ingezonden van de revalidatiearts, GZ-psycholoog en psychosomatisch fysiotherapeut. Appellant heeft verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 mei 2026, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering per 17 februari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 13 mei 2026 toegelicht dat de informatie van de revalidatiearts, GZ-psycholoog en psychosomatisch fysiotherapeut niet leidt tot een andersluidend medisch oordeel over de in geding zijnde datum. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de mentale en fysieke belastbaarheid van appellant, geen aanknopingspunten gevonden. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de Raad volgen. Omdat er geen twijfel is aan de juistheid van de medische belastbaarheid, dient het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige te worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 17 februari 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) D. Semiz