ECLI:NL:CRVB:2026:904

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
25/1375 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenBeleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verhoging IVA-uitkering naar 100% wegens onvoldoende hulpbehoevendheid

Appellant ontvangt sinds 2014 een IVA-uitkering en verzocht per 1 september 2022 om verhoging van 85% naar 100% vanwege vermeende toegenomen hulpbehoevendheid. Het Uwv weigerde deze verhoging, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellant stelde dat hij hulp nodig heeft bij vrijwel alle essentiële dagelijkse levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat appellant weliswaar hulp nodig heeft bij enkele handelingen, maar zelfstandig woont en geen continue toezicht vereist is. Dit oordeel werd door de rechtbank en de Raad onderschreven.

In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat hij volledige hulpbehoevendheid heeft, onderbouwd met een zorgplan en medische rapporten. De Raad nam het latere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep mee, waarin een verhoging per 3 juli 2025 werd geadviseerd, maar oordeelde dat per 1 september 2022 geen aanleiding was voor verhoging.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de IVA-uitkering niet wordt verhoogd naar 100%. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De beslissing werd uitgesproken op 1 juli 2026.

Uitkomst: De IVA-uitkering van appellant wordt niet verhoogd naar 100% wegens onvoldoende hulpbehoevendheid.

Uitspraak

25/1375 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 mei 2025, 24/7421 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd de IVA-uitkering van appellant met ingang van 1 september 2022 te verhogen van 85% naar 100%. Volgens appellant heeft hij hulp nodig bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en is continue oppassing noodzakelijk. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd om de IVA-uitkering te verhogen naar 100%.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Namens appellant is mr. Willering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 2014 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De hoogte van de uitkering bedraagt 75% van het WIA-maandloon. Appellant ondervindt forse klachten van zijn linkerarm en beide benen, terwijl ook sprake is van diabetes en hypertensie.
1.2.
Appellant heeft op 1 september 2022 bij het Uwv melding gemaakt van toegenomen klachten en gevraagd om een verhoging van de IVA-uitkering vanwege hulpbehoevendheid. Op 13 november 2023 heeft hij nogmaals een aanvraag bij het Uwv ingediend om zijn IVAuitkering te verhogen. Bij besluit van 14 december 2023 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de IVA-uitkering met ingang van 1 september 2022 verhoogd wordt naar 85%.
1.3.
Bij besluit van 5 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft geweigerd om de IVA-uitkering te verhogen naar 100%. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.
2.1.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat het duidelijk is dat appellant veel belemmeringen ondervindt in het dagelijkse leven. Tussen partijen is ook niet in geschil dat hij hulp nodig heeft. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellant zelfstandig woont. Appellant heeft bij sommige essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen hulp nodig, zoals het aanreiken van medicatie en ondersteuning bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen in de ochtend en avond. Hij is overdag alleen en kan zelf voorzien in het pakken van eten en drinken en zelfstandig het toilet bezoeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat uit de aandoening en de aanwezige informatie volgt dat sprake is van geregelde handreikingen door derden, maar dat continue oppassing niet noodzakelijk is. De juistheid van de stelling van appellant dat bij al zijn activiteiten, waaronder de toiletgang, toezicht en hulp nodig is, volgt niet uit de stukken, aldus de rechtbank.
2.2.
Dat appellant onder andere door Antes wordt begeleid en dat appellant zijn buurman om hulp moet vragen, heeft volgens de rechtbank geen wezenlijk ander beeld opgeleverd, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat appellant hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen of dat continue oppassing noodzakelijk is.
2.3.
Uit het voorgaande volgt dat appellant per 1 september 2022 geen recht heeft op een verhoging van zijn IVA-uitkering tot 100%. Volgens de rechtbank kan het feit dat appellant een verhoging naar 100% nodig heeft om noodzakelijke hulpmiddelen te kunnen bekostigen, dat niet anders maken. In de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid is financiële behoefte geen maatstaf voor de beoordeling van hulpbehoevendheid en heeft appellant deze financiële behoefte niet onderbouwd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant is – kort samengevat – van mening dat de IVA-uitkering verhoogd moet worden naar 100%. Appellant heeft hulp nodig bij alle of nagenoeg alle essentiële dagelijkse terugkerende levensverrichtingen en kan zonder zorg en toezicht niet zelfstandig blijven functioneren. Zo zou hij niet in staat zijn om zichzelf te verzorgen rondom naar het toilet gaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een zorgplan (juli 2025 tot juli 2026), een stuk “Omaha Aanleiding” en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 november 2025 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 mei 2026, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. In geschil is of het Uwv terecht heeft geweigerd de IVA-uitkering van appellant te verhogen tot 100% van de voor hem geldende grondslag.
5.1.
Het toepasselijk wettelijk kader is vermeld in overwegingen 3.1 tot en met 3.3 van de aangevallen uitspraak.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 mei 2026 melding gemaakt van een verhoging van de uitkering tot 100% van het dagloon per 3 juli 2025 wegens hulpbehoevendheid, gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 november 2025. De Raad overweegt dat de latere verhoging van de uitkering navolgbaar in de oordeelsvorming is betrokken, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend heeft gemotiveerd waarom hiertoe per 1 september 2022 nog geen aanleiding bestond.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van het Uwv, om de IVA-uitkering van appellant te verhogen van 85% naar 100% van het dagloon, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) D. Semiz