ECLI:NL:CRVB:2026:904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering verhoging IVA-uitkering naar 100% wegens onvoldoende hulpbehoevendheid
Appellant ontvangt sinds 2014 een IVA-uitkering en verzocht per 1 september 2022 om verhoging van 85% naar 100% vanwege vermeende toegenomen hulpbehoevendheid. Het Uwv weigerde deze verhoging, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellant stelde dat hij hulp nodig heeft bij vrijwel alle essentiële dagelijkse levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat appellant weliswaar hulp nodig heeft bij enkele handelingen, maar zelfstandig woont en geen continue toezicht vereist is. Dit oordeel werd door de rechtbank en de Raad onderschreven.
In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat hij volledige hulpbehoevendheid heeft, onderbouwd met een zorgplan en medische rapporten. De Raad nam het latere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep mee, waarin een verhoging per 3 juli 2025 werd geadviseerd, maar oordeelde dat per 1 september 2022 geen aanleiding was voor verhoging.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de IVA-uitkering niet wordt verhoogd naar 100%. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De beslissing werd uitgesproken op 1 juli 2026.
Uitkomst: De IVA-uitkering van appellant wordt niet verhoogd naar 100% wegens onvoldoende hulpbehoevendheid.