ECLI:NL:CRVB:2026:925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
25/1160 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na langdurige ziekte gerelateerd aan zwangerschapsklachten en andere aandoeningen zoals fibromyalgie en astma. Het UWV heeft op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen uitkering toekent.

De rechtbank Limburg heeft dit besluit bevestigd na zorgvuldige beoordeling van de medische rapporten, waaronder contra-expertise, en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet zodanig waren dat zij niet in staat zou zijn de geselecteerde functies te vervullen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat haar klachten en beperkingen werden onderschat en dat er sprake was van vooringenomenheid. De Centrale Raad van Beroep heeft deze bezwaren onderzocht en geoordeeld dat de medische beoordeling voldoende gemotiveerd en zorgvuldig was, waarbij ook psychosociale factoren zijn betrokken.

De Raad concludeert dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/1160 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 mei 2025, 24/2343 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante per 10 augustus 2023 terecht geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat zij volgens het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.H.J. aan de Stegge, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellante is mr. Aan de Stegge, via beeldbellen, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen
.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als warehouse operator voor 40 uur per week. Op 29 oktober 2020 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten gerelateerd aan zwangerschap. Appellante heeft een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW), gevolgd door de WAZOuitkering van 16 maart 2021 tot en met 6 juli 2021. Aansluitend aan de WAZO heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld wegens zwangerschaps- of bevallingsgerelateerde klachten, waarna de ZWuitkering is hervat. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2023 geweigerd appellante met ingang van 10 augustus 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 11 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de WIAuitkering terecht heeft geweigerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op het spreekuur en de rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in het standpunt dat lichamelijk onderzoek geen meerwaarde had omdat er voldoende medische informatie aanwezig was, waaronder de contra-expertise van Het Expertise Orgaan van 8 september 2023.Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat klachten zijn gemist. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de contra-expertise niet leidt tot een ander oordeel. De rechtbank volgt het Uwv ook in het standpunt dat het aanvullende rapport van Het Expertise Orgaan van 3 april 2025 geen nieuwe medische gegevens bevat. Omdat de rechtbank geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de medische beoordeling van het Uwv, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen en wordt appellante niet gevolgd in het standpunt dat zij door haar klachten niet in staat is om de geduide functies uit te oefenen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Zo is onvoldoende navraag gedaan bij de behandelend sector. Ook is sprake van vooringenomenheid, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zonder adequate onderbouwing heeft geconcludeerd dat hij niet mee kan gaan in het door appellante ervaren klachtenbeeld. Daarnaast heeft appellante gesteld dat de herstelprognose niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is door de primaire arts.
3.1.
Verder heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt. Er zijn onvoldoende beperkingen aangenomen blijkens de contra-expertise. Appellante is meer beperkt voor handelingen en statische houdingen in verband met de diagnose fibromyalgie. Ook zijn aanvullende beperkingen nodig voor fysieke omgevingseisen vanwege de diagnoses astma en allergische reactie op stof. Daarnaast is een verhoogde rustbehoefte door de pijnproblematiek aannemelijk, zodat een urenbeperking aangewezen is. Voor deze klachten is geen verbetering te verwachten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een rapport van Het Expertise Orgaan van 25 maart/10 april 2026 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.
5.3.
In wat appellante heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de diagnose fibromyalgie niet leidt tot aanvullende beperkingen. In het rapport van 30 april 2026 is ook inzichtelijk toegelicht waarom de subjectieve klachten van appellante niet één op één vertaald kunnen worden naar beperkingen, waarbij uit moet worden gegaan van het geheel van factoren die van invloed zijn op het functioneren van appellante. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich onder meer gebaseerd op het dagverhaal en de eigen observaties. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychosociale problematiek bij de beoordeling betrokken. Daarmee is de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk onderbouwd en toegespitst op de situatie van appellante. De algemene beschrijving van klachten bij fibromyalgie in de informatie van Het Expertise Orgaan kan daarom niet leiden tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast inzichtelijk gemotiveerd dat appellante is aangewezen op fysiek lichter werk, waarin rekening wordt gehouden met lopen en staan en dat een verhoogde rustbehoefte niet is geobjectiveerd met verhoogde recuperatiemomenten. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellante weliswaar medicatie heeft voor astma, maar dat uit het dagverhaal blijkt dat zij door de medicatie, die blijkbaar goed werkt, niet verder beperkt is op dit punt. Appellante is al langer bekend met astma en heeft daar altijd mee gewerkt.
5.4.
Wat appellante heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz