ECLI:NL:CRVB:2026:939

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/1189 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens passende lening als voorliggende voorziening

Appellant verzocht om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor kosten van woninginrichting ter hoogte van €2.000,-. Het college wees dit verzoek af omdat appellant aanspraak kon maken op een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA), welke als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant voerde onder meer aan dat hij geen vertrouwen had in de overheid en bang was voor terugvordering van bijstand, en dat het college in het bestreden besluit twee verschillende data had vermeld.

De Raad oordeelde dat de lening bij de GKA onbetwist is geaccepteerd en afgelost door appellant, waardoor deze lening een passende voorliggende voorziening vormt. De vermeende datumverschillen in het besluit zijn een kennelijke verschrijving die de rechtmatigheid niet aantast. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand blijft in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft in stand omdat de lening bij de kredietbank een passende voorliggende voorziening is.

Uitspraak

25/1189 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2025, 23/3734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2026. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over de afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van woninginrichting. Het gaat om de kosten voor een bed en vloerbedekking voor in totaal € 2.000,-. Deze afwijzing heeft het college na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 mei 2023 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant voor deze kosten aanspraak kan maken op een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA). Dat is een voorliggende voorziening die voor appellant passend en toereikend is.
2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet in juridische procedures wil belanden, dat hij bang is dat bijstand wordt teruggevorderd, ook als de fout bij het college ligt, dat hij dit al eens eerder heeft meegemaakt, dat hij geen vertrouwen heeft in de overheid, tenzij de juridische procedures waterdicht zijn en dat het college in het bestreden besluit twee verschillende data heeft vermeld. De beroepsgronden slagen niet.
4. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Terecht heeft de rechtbank gewezen op vaste rechtspraak [1] dat kredietverlening door een kredietbank kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5 aanhef Pro en onder e, van de PW. Onbestreden is dat appellant de lening bij de GKA niet alleen heeft geaccepteerd maar ook al heeft afgelost. Daarmee staat vast dat deze lening een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Dit betekent dat de aanvraag om bijzondere bijstand terecht is afgewezen.
4.1. De beroepsgrond van appellant dat het college in het bestreden besluit twee verschillende data heeft vermeld, heeft appellant ook in beroep bij rechtbank aangevoerd. De rechtbank heeft daarover met juistheid overwogen dat het om een kennelijke verschrijving gaat en dat appellant daardoor niet is benadeeld. Deze verschrijving tast de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aan.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) A.M. Overbeeke

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2062, 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2567 en van 13 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8201.