ECLI:NL:CRVB:2026:940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/1535 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een koelkast, oven, kledingkast en stofferingskosten voor een trap in de nieuwe woning van appellante.

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en appellante vanuit haar inkomen had kunnen reserveren. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle algemeen noodzakelijke bestaanskosten en dat alleen bij bijzondere omstandigheden recht bestaat op bijzondere bijstand. Appellante stelde dat zij niet had kunnen reserveren vanwege dalende inkomsten, mantelzorgkosten en de geboorte van een tweede kind, maar deze omstandigheden werden onvoldoende onderbouwd of gemotiveerd.

De Raad concludeert dat appellante steeds inkomsten boven bijstandsniveau had en vanuit die inkomsten had kunnen reserveren. De mantelzorgkosten zijn niet onderbouwd en de geboorte van het tweede kind vormt geen belemmering zonder nadere motivering.

Het hoger beroep wordt afgewezen, de afwijzing van de aanvraag blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellante vanuit haar inkomen heeft kunnen reserveren en er geen bijzondere omstandigheden zijn.

Uitspraak

24.1535 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2024, 24/1060 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: S.A.M. Schilder
Voor appellante is verschenen mr. G.H. Amstelveen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Gogar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een koelkast, een oven, een kledingkast en stofferingskosten voor een trap in de nieuwe woning van appellante. Het college heeft aan de afwijzing in het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat die kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellante heeft voor die kosten kunnen reserveren. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten.
Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatst genoemd kader moet worden beoordeeld.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor de bijstand is aangevraagd zich voordoen en dat deze kosten noodzakelijk waren. Appellante voert aan dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden omdat zij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren. Zij voert daartoe aan dat in de jaren voorafgaand aan de verhuizing haar inkomsten zijn gedaald, zij reiskosten heeft moeten maken om mantelzorg te verlenen aan haar moeder en zij in 2020 een tweede kind heeft gekregen.
Wat appellante aanvoert levert geen bijzondere omstandigheden op als hiervoor bedoeld. Daarbij is allereerst van belang dat appellante steeds inkomsten heeft gehad boven bijstandsniveau en vanuit die inkomsten heeft kunnen reserveren. Wat de kosten in verband met de mantelzorg betreft geldt dat hieraan al geen betekenis toekomt omdat appellante die kosten niet heeft onderbouwd. Ook de omstandigheid dat appellante een tweede kind heeft gekregen staat er zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet aan in de weg dat zij vanuit haar inkomen heeft kunnen reserveren.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante ook geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) P.W. van Straalen