ECLI:NL:CRVB:2026:944

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/194 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 49,77% in WIA-uitkering

Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, werd arbeidsongeschikt verklaard na een CVA in 2019. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 49,77% en kende een WIA-uitkering toe. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen, met name op sociaal en persoonlijk functioneren en urenbeperking.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad benoemde een verzekeringsarts als deskundige, die een zorgvuldig onderzoek verrichtte en concludeerde dat de beperkingen adequaat waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De deskundige vond geen medische grond voor verdere fysieke of psychische beperkingen dan reeds vastgesteld.

De Raad oordeelde dat het rapport van de deskundige overtuigend en consistent is en dat de door appellant aangevoerde klachten, zoals vermoeidheid en energiegebrek, passen binnen het herstelproces na een CVA en geen aanleiding geven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het huidige werk als bezorger/chauffeur overschrijdt de belastbaarheid, maar dit leidt niet tot een andere medische beoordeling.

Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft vastgesteld op 49,77%.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist is vastgesteld op 49,77%.

Uitspraak

24/194 WIA
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023, 22/3372 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 5 juli 2021 terecht heeft vastgesteld op 49,77%. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend
.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 oktober 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wittensleger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en drs. M. Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 27 juni 2025 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft te kennen gegeven zich in de conclusies van de deskundige te kunnen vinden. Appellant heeft zijn zienswijzen op het deskundigenrapport gegeven. De deskundige heeft hierop met nadere rapporten van 20 oktober 2025 en 31 oktober 2025 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 27 mei 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor 38,75 uur per week. Op 8 juli 2019 heeft hij zich ziekgemeld met neurologische klachten veroorzaakt door een CVA. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 augustus 2021
.Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd
.Het Uwv heeft met een besluit van 13 augustus 2021 geweigerd appellant met ingang van 5 juli 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 augustus 2021. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant meer beperkingen heeft. Appellant is sterk beperkt op conflicthantering. Hij is aanvullend beperkt geacht in het hanteren van emotionele problemen van anderen en eigen gevoelens uiten. Verder is een aanvullende urenbeperking aangenomen van zes uur per dag en dertig uur per week en is appellant aangewezen op regelmatige werktijden. Deze aanvullende beperkingen zijn neergelegd in een FML van 1 maart 2022
.Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 49,77%. Met een besluit van 10 juni 2022 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 5 juli 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend naar een mate van 49,77% arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Dat appellant heeft ondervonden dat hij het werk als bezorger/chauffeur dat hij sinds 1 augustus 2023 is gaan doen, niet meer dan vijftien uur per week kan uitvoeren, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zijn beperkingen zijn onderschat.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML zijn aangenomen. Appellant heeft gesteld dat een verdergaande urenbeperking aangenomen dient te worden en dat er meer beperkingen aangenomen dienen te worden in de rubrieken persoonlijk- en sociaal functioneren. Hij heeft er nogmaals op gewezen dat hij het werk als bezorger/chauffeur niet meer dan vijftien uur per week kon volhouden.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Benoeming deskundige
3.3.
Na de zitting van 23 oktober 2024 heeft de Raad aanleiding gezien een verzekeringsarts als deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat appellant per datum in geding kampt met restverschijnselen van een CVA uit 2021, en er deels herstel is in spraak, mondmotoriek en looppatroon. De lichamelijke beperkingen zijn volgens de deskundige adequaat weergegeven in de FML van het Uwv. Er is rekening gehouden met de lichte fysieke belastbaarheid en de klachten bij lopen. Er bestaat geen medische grond voor verdergaande fysieke beperkingen. Op psychisch vlak zijn er veranderingen in emotie- en stresshantering, die terecht zijn meegenomen in de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze klachten leiden echter niet tot meer beperkingen dan al zijn aangenomen door het Uwv. Cognitieve stoornissen worden door geen van de betrokken specialisten bevestigd, waarmee geen reden bestaat voor verdergaande beperkingen in de rubrieken 1.1 tot en met 1.7. De vermoeidheidsklachten van appellant na inspanning zijn aannemelijk, maar passen binnen het beeld na een doorgemaakt CVA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht aangenomen dat de noodzaak tot recuperatie beperkt is. Appellant overschrijdt zijn grenzen vooral doordat zijn huidige werk fysiek en mentaal zwaarder is dan de FML weergeeft. Als appellant passend, lichter werk verricht, dat aansluit bij zijn beperkingen, is er geen medische grond om te stellen dat een verdergaande urenbeperking noodzakelijk zou zijn en is dit overeenkomstig de door het Uwv aangenomen urenbelasting.
3.4.
Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van de deskundige gegeven. Het Uwv heeft opgemerkt dat de deskundige het eens is met het standpunt van het Uwv en dat hiermee wordt bevestigd dat het bestreden besluit juist is. Appellant is van mening dat de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn vermoeidheid en energiegebrek, dat zijn recuperatiebehoefte wordt onderschat, zijn beperkingen in het dagelijks leven onvoldoende worden gewogen, medische informatie onvoldoende wordt betrokken bij de beoordeling en onjuiste toepassing is gegeven aan de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Appellant heeft aangevoerd dat zijn huidige werk als bezorger/chauffeur veel minder zwaar is dan zijn oorspronkelijke werk en hij na vier uur werken een grote recuperatiebehoefte heeft.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant en ook de informatie van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarbij is van belang dat de deskundige appellant heeft gezien op een spreekuur, een uitgebreide anamnese heeft afgenomen en in haar rapport de bevindingen nauwkeurig heeft weergegeven. De conclusies waartoe de deskundige is gekomen, zijn inzichtelijk en consistent en vinden hun onderbouwing in de medische stukken.
4.3.
Met haar aanvullende rapport van 20 oktober 2025 heeft de deskundige ook voldoende gemotiveerd waarom appellant niet in zijn zienswijzen op het deskundigenrapport kan worden gevolgd. Zowel de neuroloog als de revalidatiearts beschrijven geen structurele stoornis in de energiehuishouding, die een verdergaande urenbeperking zou kunnen rechtvaardigen. De vermoeidheid van appellant is wel verklaarbaar binnen de herstelperiode en past ook bij een adaptatieproces na het doormaken van een CVA, maar is geen medisch objectiveerbare aandoening die een verdere urenbeperking rechtvaardigt. De recuperatiebehoefte is al onderkend en vertaald in een urenbeperking van zes uur per dag en dertig uur per week. Bij lichte energetische beperkingen of herstel na een CVA is een gematigde urenbeperking passend. De ervaren beperkingen van appellant in sociale situaties en prikkelrijke omgevingen rechtvaardigen ook geen verdergaande urenbeperking. Deze aspecten zijn al afzonderlijk beoordeeld en hebben geleid tot beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren binnen de FML. Er wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de ervaren overprikkeling en verminderde inspanningstolerantie die appellant ervaart.
4.4.
Met haar aanvullende rapport van 31 oktober 2025 heeft de deskundige overtuigend uiteengezet waarom dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn huidige werk als bezorger/chauffeur, haar conclusies niet anders maakt. Dit werk is weliswaar lichter dan zijn oude werk, maar overschrijdt zijn belastbaarheid zoals in de FML werd vastgesteld qua taakinhoud, prikkelbelasting en werktempo, wat een mogelijke reden is voor de stagnatie in opbouw van werkuren en daardoor ervaart appellant uitputting. Dit betekent niet dat er een medische grond is voor meer beperkingen, maar bevestigt dat het huidige werk niet passend is. Zijn huidige klachten ontstaan omdat het huidige werk feitelijk vijf tot zes uur per dag intensieve arbeid vergt. De werkinhoud overschrijdt dus zijn mogelijkheden. In de FML is expliciet een beperking opgenomen voor beroepsmatig een voertuig besturen. Het huidige werk bestaat grotendeels uit beroepsmatig rijden, namelijk drie dagen per week 200 kilometer per dag. Zelfs als het lichte, regionale ritten betreffen, blijft dit structureel beroepsmatig vervoer, waarvoor de FML een duidelijke beperking heeft aangegeven. De ervaren vermoeidheid na deze ritten is volledig verklaarbaar door deze overschrijding.
4.5.
Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 49,77% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz