ECLI:NL:CRVB:2026:945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/1643 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens een afgescheurde achillespees. Het UWV heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en heeft de uitkering geweigerd. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn beperkingen groter zijn, mede door psychische problematiek en een verminderde bewegelijkheid van de achillespees.

De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De medische beoordeling is zorgvuldig en de aantekeningen van de medisch secretaresse zijn niet als zelfstandig stuk relevant. De arbeidsdeskundige heeft passend werk geselecteerd dat appellant kan verrichten.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De medische en arbeidskundige onderzoeken zijn zorgvuldig uitgevoerd en de beperkingen van appellant zijn niet onderschat. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2025, 24/8386 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant per 24 januari 2022 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellant is mr. Walker verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als procesoperator voor 31 uur per week. Daarnaast ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 27 januari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met een afgescheurde achillespees. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 25 juli 2023 geweigerd appellant met ingang van 24 januari 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 3 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op één punt aangevuld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat vier van de geduide functies niet geschikt zijn voor appellant en heeft daarom twee nieuwe functies geselecteerd. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bepaald op 28,86%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank is het aan het Uwv om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. De aantekeningen van de medisch secretaresse zijn gebruikt als hulpmiddel voor het opstellen van het medisch rapport. Het rapport is te beschouwen als het op de zaak betrekking hebbend stuk, maar de aantekeningen zelf niet. Zij hebben niet zelfstandig een rol gespeeld bij de besluitvorming en hoefden daarom niet te worden overgelegd. Het is ook nergens uit gebleken dat aan appellant is toegezegd om de aantekeningen te verstrekken. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. In het huisartsenjournaal staat weliswaar depressie bij de datum 24 februari 2022, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen. Ook de echo van 25 november 2021 heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ondanks de verdikking is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden voor verdergaande beperkingen: het eigen lichamelijk onderzoek van de huisarts in juni 2023 heeft laten zien dat er geen medische reden is voor inactiviteit of voor gebruik van hulpmiddelen. Om die reden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de toelichting bij de FML over het gebruik van hulpmiddelen kunnen verwijderen. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn voor appellant. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende medische onderbouwing, is sprake van een gebrek. Dit heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd, waarbij het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het door hem betaalde griffierecht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het gespreksverslag van de medisch secretaresse ten onrechte niet aan het dossier is toegevoegd. Dat het geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, is niet juist. Verder zijn volgens appellant zijn beperkingen onderschat. Er is sprake van een verminderde bewegelijkheid van de achillespees, zoals blijkt uit de brief van de radioloog van 25 november 2021. Daarnaast blijkt niet dat de psychische problematiek van appellant is betrokken bij de beoordeling. De psychische onderzoeken door de verzekeringsartsen hebben bijna 18 maanden en bijna 22 maanden na de datum in geding plaatsgevonden. Er is voorbijgegaan aan de depressie, die door de huisarts wordt genoemd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen grond was de aantekeningen van de medisch secretaresse aan appellant te verstrekken. De stelling van appellant dat het Uwv heeft toegezegd deze aantekeningen ter beschikking te stellen, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft appellant een stuk overgelegd, waaruit volgens appellant deze toezegging van het Uwv blijkt. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank kan worden gevolgd in het oordeel dat de aantekeningen zijn bedoeld als hulpmiddel voor het opstellen van het medisch rapport en daarom niet zelfstandig kunnen worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbend stuk. Het Uwv was daarom niet gehouden deze aantekeningen te verstrekken. Het Uwv heeft daarnaast het medisch rapport, waarin de aantekeningen zijn verwerkt, wel aan appellant verstrekt. Ook anderszins bestaat voor het Uwv geen verplichting om de aantekeningen te overleggen. Indien appellant het niet eens was met de inhoud van het rapport, had hij in bezwaar de mogelijkheid om dit kenbaar te maken. Dat het spreekuur in bezwaar na de datum in geding heeft plaatsgevonden, zoals appellant heeft gesteld, is daarbij inherent aan de bezwaarprocedure.
Medische beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Anders dan appellant heeft gesteld, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de arts van 25 november 2021 over zijn achillespees wel degelijk betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover inzichtelijk overwogen dat weliswaar op de echo van 25 november 2021 een verdikking van de achillespees werd gezien, maar dat de huisarts op 28 juli 2022 heeft geschreven dat er bij eigen onderzoek aan de voet weinig te zien is, dat appellant de voet kan flecteren, dat de proef van Thompson negatief is en de achillespees gewoon doorloopt. Ook op een later moment, in juni 2023, vindt de huisarts slechts milde pijn bij knijpen, geen roodheid, geen zwelling, geen verdikking, appellant kan op tenen en hakken lopen en de sensibiliteit is intact. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan geconcludeerd dat er geen medische reden is voor inactiviteit en er geen medische indicatie is voor het gebruik van hulpmiddelen.
5.5.
Daarnaast wordt appellant evenmin gevolgd in zijn stelling dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met het huisartsenjournaal, waarin bij de datum 24 februari 2022 depressie is genoemd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook deze informatie kenbaar bij de beoordeling betrokken en hierover overwogen dat er zowel tijdens de primaire beoordeling en als in bezwaar geen aanwijzingen werden gevonden voor ernstige psychopathologie. Ook is geen sprake van intensieve psychiatrische behandeling met medicatie, maar alleen laagdrempelig bij de POH-GGZ. Ernstige cognitieve stoornissen werden daarnaast niet waargenomen. In psychische zin lijkt sprake van een aanpassingsstoornis, waarbij geen ernstige psychische beperkingen aan de orde zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.
5.6.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz