ECLI:NL:CRVB:2026:946
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Appellante stelde hoger beroep in tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tijdens de procedure nam de minister nieuwe besluiten op bezwaar, waardoor appellante alsnog de benodigde aanvragen kon indienen. Hierna trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De minister betwistte dat sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voerde aan dat de ingediende facturen geen proceshandelingen bevatten die voor vergoeding in aanmerking komen. Appellante stelde dat de juridische werkzaamheden door een derde waren verricht en dat deze werkzaamheden hebben geleid tot de nieuwe besluiten.
De Raad oordeelde dat de verleende rechtsbijstand door een derde was en een vast bestanddeel vormt van een duurzame, op inkomen gerichte taakuitoefening. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Er werd geen vergoeding toegekend voor de bezwaarfase omdat het verzoek daartoe niet tijdig was ingediend.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.