ECLI:NL:CRVB:2026:947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
23/2404 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een ongeval in 2019 en diverse medische onderzoeken stelde het UWV vast dat appellante beperkingen had, maar dat deze niet tot een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer leidden. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing vanwege onvoldoende medisch onderzoek, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat opnieuw werd bestreden.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die uitgebreid onderzoek deed en concludeerde dat de beperkingen van appellante juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hoewel appellante meer beperkingen claimde, onder meer op het gebied van prikkelgevoeligheid en psychische klachten, volgde de Raad de deskundige die stelde dat deze klachten niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden.

De Raad oordeelde dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante en dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep werd afgewezen, het verzoek om schadevergoeding werd geweigerd en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt daarmee het besluit van het UWV en de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/2404 WIA
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2023, 23/385 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 16 maart 2021 geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Dijke, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 april 2024. Appellante is, vergezeld door haar begeleidster [naam], via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Dijke. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft M. Roos-Vervoort, verzekeringsarts, benoemd als deskundige.
De deskundige heeft op 31 maart 2025 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd en stukken ingediend. Op 7 juli 2025 en 9 maart 2026 heeft de deskundige nadere rapporten uitgebracht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een nadere zitting van 28 mei 2026. Appellante is, vergezeld door haar begeleidster, via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Dijke. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Weltevrede.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker klantenservice voor gemiddeld 30,12 uur per week. Op 19 maart 2019 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten ten gevolge van een ongeluk. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 maart 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante vijf functies geselecteerd en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 15,2%. Het Uwv heeft bij besluit van 13 april 2021 geweigerd appellante met ingang van 16 maart 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 1 december 2021 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om verdergaande beperkingen bij appellante aan te nemen op sociaal functioneren en statische houdingen en heeft de FML op 19 november 2021 aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een functie laten vervallen en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd vastgesteld op 15,2%.
1.3.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 december 2021. Bij uitspraak van 9 november 2022 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2021 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat appellante zowel in de primaire fase als in bezwaar niet lichamelijk is onderzocht door een verzekeringsarts of verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van een fysiek spreekuurcontact is afgezien.
1.4.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2022 (bestreden besluit) het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag die alsnog een medisch onderzoek bij appellante heeft verricht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de beperkingen van appellante op correcte wijze zijn weergegeven in de FML van 29 november 2021. Dat appellante op de datum in geding hulp kreeg vanuit de WMO, betekent niet dat hieruit de conclusie moet volgen dat de beoordeling door het Uwv onjuist is en dat appellante aanvullend beperkt had moeten worden geacht in de FML. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat door beperkingen aan te nemen op geluidsbelasting en ten aanzien van een werkomgeving met felle lampen en drukte, veelvuldige storingen en onderbrekingen, appellante al voldoende beperkt is geacht.
2.2.
De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn standpunt dat alleen de aanwezigheid van de diagnose eczeem niet betekent dat daarvoor automatisch beperkingen aangenomen moeten worden. Niet gebleken is dat appellante op de datum in geding er klachten van ondervond die beperkingen in de FML rechtvaardigen. Ook voor het aannemen van een preventieve beperking is geen aanleiding. Voor astma en allergieën zijn terecht geen beperkingen opgenomen. Uit de medische informatie van de huisarts en longarts is gebleken dat appellante op de datum in geding geen medicatie gebruikte of onder behandeling was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts toereikend gemotiveerd dat een verdergaande urenbeperking niet aan de orde is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellante heeft meer beperkingen dan is aangenomen in de FML. Appellante krijgt ondersteuning vanuit de WMO omdat zij niet zelfstandig kan reageren op brieven, zij niet kan plannen en organiseren als het niet direct wordt vastgelegd, en ze afspraken vergeet. Hiervoor hadden beperkingen moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat er geen reden was om beperkingen aan te nemen in verband met eczeemklachten. Op de datum in geding gebruikte appellante medicatie tegen eczeem en zij had er toen ook last van. Ook voor de terugkerende allergische astma hadden beperkingen opgenomen moeten worden. Ten onrechte is geen verdergaande urenbeperking aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar informatie van de revalidatiearts, GZ-psycholoog en ergotherapeut uit 2021.
3.2.
Appellante acht zich niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten vanwege onder meer het moeten dragen van veiligheidshandschoenen, TL-verlichting en drukte in een productiehal.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2023.
Benoeming deskundige verzekeringsarts
3.4.
De Raad heeft in wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over haar medische beperkingen aanleiding gezien de verzekeringsarts Roos-Vervoort als deskundige te benoemen. De deskundige heeft in haar rapport van 31 maart 2025 uiteengezet dat appellante na een ongeval op 17 maart 2019 lichamelijke en psychische klachten heeft ontwikkeld. Diagnostisch was er op 16 maart 2021 sprake van een postcommotioneel syndroom dan wel Whiplash Associated Disorder graad II, een depressieve stoornis dan wel somatisch-symptoomstoornis, een posttraumatische stressstoornis (PTSS), astma, eczeem en veneuze insufficiëntie. Per de datum in geding bestaat geen geobjectiveerde cognitieve problematiek van dien aard dat beperkingen op aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen en doelmatig en zelfstandig handelen (punten 1.1 tot en met 1.6 in de FML) gerechtvaardigd zouden zijn. Appellante wordt in staat geacht deel te nemen aan het verkeer of te reizen met het openbaar vervoer, waardoor er geen medische grond is voor het beperken van deze beoordelingspunten. Dit blijkt eveneens uit de mogelijkheid van appellante om zelfstandig met het vliegtuig naar Suriname te gaan, maar ook het zelfstandig wonen en het inschakelen en gebruikmaken van instanties die haar helpen (zoals WMO en maatschappelijk werk). Dat neemt niet weg dat er wel degelijk problemen hebben bestaan per de datum in geding. Het Uwv heeft hier in de FML van 29 november 2021 daadwerkelijk rekening mee gehouden. De deskundige heeft alleen twijfel over de wijze waarop de prikkelverwerking van appellante in de FML vermeld moet worden. Appellante is beperkt geacht op geluidsbelasting (punt 3.6 in de FML) vanwege gevoeligheid voor geluidprikkels. Dit beoordelingspunt betreft echter uitsluitend de aard, duur en intensiteit van geluid en richt zich op de akoestische belasting als zodanig. Dit beoordelingspunt is niet bedoeld om afleidbaarheid door geluid of visuele prikkels te boordelen, wat onder punt 1.8.1 (geen afleiding door activiteiten van anderen) van de FML valt. Om deze reden dient een beperking op punt 1.8.1 te worden toegekend en is er geen grond om een beperking op punt 3.6 te stellen als compensatie voor afleidbaarheid door geluidprikkels, aldus de deskundige. Met medicatiegebruik is voorts in de FML al rekening gehouden. Uit medisch oogpunt is bij de afwezigheid van ziekteverschijnselen bij astma en eczeem per de datum in geding verder geen grond voor het toekennen van aanvullende beperkingen en daarnaast zou dit niet van invloed zijn op de geselecteerde functies. De deskundige heeft ten slotte de bij appellante aangenomen duurbelastbaarheid van dertig uur per week en maximaal acht uur per dag onderschreven.
3.5.
In reactie op het rapport van de deskundige heeft appellante zich op het standpunt gesteld zich te kunnen vinden in een beperking op het punt 1.8.1. Zij acht zichzelf echter niet staat om dertig uur per week te werken op energetische gronden. De deskundige heeft erop gewezen dat na de datum in geding nog ontwikkelingen zijn geweest in de gezondheidstoestand van appellante die van belang zijn voor haar belastbaarheid op 16 maart 2021. Appellante maakt hieruit op dat de FML van 29 november 2021 niet volledig is. Appellante is inmiddels doorverwezen naar een psycholoog en psychiater van De Waard.
3.6.1.
In reactie op het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 mei 2025 geconcludeerd zich niet te kunnen vinden in het toevoegen van een beperking op punt 1.8.1 van de FML omdat dit geen meerwaarde heeft en een FML slechts een hulpmiddel is om op een efficiënte manier functies te duiden. Het aannemen van de beperkingen voor prikkelgevoeligheid onder de FML-punten 3.6 (geluidsbelasting) en 3.8 (overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden) is misschien niet de meest logische plek in de FML om dit te vermelden voor zover het gaat om een verhoogde afleidbaarheid door prikkels. De prikkelgevoeligheid van appellante is echter meeromvattend dan alleen een verhoogde afleidbaarheid door prikkels. Er blijken immers ook klachten van snel een vol hoofd/vermoeidheid door prikkels. De primaire verzekeringsarts heeft er om die reden voor gekozen de beperkingen voor prikkelgevoeligheid te vermelden bij de FML-punten 3.6 en 3.8. Daarbij is met de toelichting op punt 3.6 door haar duidelijk gemaakt dat de beperking voor geluidsbelasting verder gaat dan alleen de norm voor punt 3.6 in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Bij punt 3.8 is verder toegelicht dat er geen drukte om appellante heen moet zijn. Dit leidt bij elke potentieel te selecteren functie tot een signalering in het CBBS.
3.6.2.
In een aanvullend rapport van 28 mei 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat in de eerste bezwaarprocedure overleg heeft plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen van appellante voor prikkels. Na heroverweging waren de geselecteerde functies nog steeds als passend aan te merken. Ook als de beperkingen voor prikkels onder punt 1.8.1 in de FML zouden worden weergegeven zijn de geselecteerde functies nog passend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies op dit punt nader toegelicht.
3.7.
In een nader rapport van 7 juli 2025 heeft de deskundige gereageerd op de zienswijzen van partijen. Zij geven de deskundige geen aanleiding tot het wijzigen van de eerdere conclusies. De actuele psychische klachten en de mogelijke diagnose die voortvloeit uit de intakegesprekken bij De Waard zijn niet van invloed op de belastbaarheid van appellante per de datum in geding. Uit aanvullende medische informatie van de huisarts blijkt niet dat er een psychisch toestandsbeeld bestond per de datum in geding die het aannemelijk maakt dat destijds verdergaande psychische beperkingen bestonden. De huisarts meldt slechts eenmalig een spreekuurcontact in 2021 in verband met psychische klachten, wat eerder wijst op beperkte problematiek op dat moment. Er zijn in de FML voorts al beperkingen opgenomen voor het verdelen van de aandacht, prikkelgevoeligheid en sociaal functioneren. Hiermee is bij het arbeidsdeskundig onderzoek licht fysiek én licht mentaal belastend werk geduid. Daarmee is de vastgestelde urenbeperking volgens de deskundige toereikend en adequaat onderbouwd. Wat betreft het discussiepunt over de juiste rubricering van de prikkelgevoeligheid in de FML is de keuze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om dit onder punten 3.6 en 3.8 te rubriceren niet volgens het handboek CBBS. Om redenen van eenduidigheid en toetsbaarheid is het wenselijk om beperkingen op de juiste plaats in de FML te beschrijven. Dit heeft echter geen gevolgen voor de geselecteerde functies en is daarom niet van verdergaande toegevoegde waarde, aldus de deskundige.
3.8.
Appellante heeft daarna medische informatie van GGZ Delfland ingediend over een behandeltraject dat in 2025 is gestart, waaronder een behandelplan van 20 januari 2026. Appellante heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vastgestelde diagnoses van belang zijn voor appellantes klachten en beperkingen per de datum in geding.
3.9.
In een nader rapport van 9 maart 2026 heeft de deskundige appellante hierin niet gevolgd. In het behandelplan van GGZ Delfland zijn als beschrijvende diagnose PTSS en een neurocognitieve stoornis vermeld. Deze heeft betrekking op het toestandsbeeld van appellante op dat moment en zegt niets over haar toestandsbeeld per de datum in geding. De geclaimde klachten van appellante zijn in het deskundigenonderzoek meegewogen. In de FML heeft dit geleid tot beperkingen op verschillende rubrieken, dit was passend bij het destijds bekende toestandsbeeld van appellante. Wat betreft de diagnose PTSS heeft de deskundige eerder de mogelijkheid van het bestaan daarvan al meegewogen bij de beoordeling van de psychische problematiek. Het is bekend dat traumata uit het verleden op een later moment kunnen leiden tot een toename van psychische klachten of een nieuwe episode van psychische problematiek bij sluimerende problematiek. De medische informatie die bekend is over de datum in geding laat een dergelijk beeld echter niet zien. De genoemde neurocognitieve stoornis wordt nog nader onderzocht, waarvoor mogelijk verdergaande diagnostiek (neuropsychologisch onderzoek) wordt verricht. Echter, ook als hierbij structurele cognitieve afwijkingen zouden worden vastgesteld, leidt dit volgens de deskundige niet direct tot het vaststellen van deze problematiek per de datum in geding. Daarbij weegt mee dat navraag bij de huisarts over de periode rondom de datum in geding geen aanvullende medische informatie heeft opgeleverd die wijst op een ernstiger psychisch of cognitief toestandsbeeld dan al uit de bekende medische informatie is gebleken en overeenkomt met de daarvoor opgestelde FML in het deskundigenonderzoek. De informatie geeft dus geen aanleiding om de eerdere conclusies te wijzigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.
4.3.
Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft de aanwezige (medische) stukken bestudeerd en met appellante gesproken. Ook heeft zij kennisgenomen van de ontvangen uitgebreide reacties, een logboek over ervaren geluidsoverlast van appellante en de recente diagnostiek van appellantes psychische klachten. De deskundige is onder meer uitgegaan van klachten en beperkingen als gevolg van PTSS, welke diagnose in 2026 is bevestigd door GGZ Delfland. De deskundige kan gevolgd worden in haar conclusie dat de FML van 29 november 2021, op punt 1.8.1 (geen afleiding door activiteiten van anderen) na, een juiste weergave is van de beperkingen van appellante als gevolg van haar aandoeningen per de datum in geding 16 maart 2021.
4.4.
Wat appellante in haar reacties op de rapporten van de deskundige naar voren heeft gebracht over onder meer een verdergaande urenbeperking, geeft geen aanleiding om de conclusies van de deskundige niet te volgen. Dat appellante zich recent bij het Uwv heeft gemeld vanwege een verslechtering in haar gezondheidssituatie doet evenmin af aan de conclusies van de deskundige, gelet op het tijdsverloop van inmiddels vijf jaar sinds de datum in geding.
4.5.
In de FML van 29 november 2021 is appellante beperkt geacht op ‘geluidsbelasting’ (punt 3.6), met als toelichting dat zij niet kan functioneren in een drukke lawaaierige omgeving. Ook is appellante beperkt geacht op ‘overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden’ (punt 3.8), met als toelichting dat zij niet in een werkomgeving met felle niet-dimbare lampen kan werken en dat er geen drukte om haar heen moet zijn. De deskundige verzekeringsarts heeft zich over de beperking op punt 3.6 op het standpunt gesteld dat dit niet juist is en dat (in plaats daarvan) een beperking op ‘geen afleiding door activiteiten van anderen’ (punt 1.8.1) moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige hierin niet gevolgd en heeft de punten 3.6 en 3.8 gehandhaafd in de FML. Al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat de FML van 29 november 2021 niet volledig is vanwege het ontbreken van een beperking op punt 1.8.1 in verband met (geluids)prikkels, dan betekent dit niet dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor haar. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend en navolgbaar gemotiveerd dat in de geselecteerde functies geen sprake is van afleiding door activiteiten van anderen (bijvoorbeeld heen en weer lopende collega’s of constant pratende collega’s). Visuele prikkels kunnen worden beperkt met schotten rond een individuele werkplek en auditieve prikkels kunnen worden geminimaliseerd met gehoorbescherming. Ook voor het overige heeft het Uwv voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat geen grond, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) F.M. Gerritsen