ECLI:NL:CRVB:2026:948

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/631 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen besluit UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV, maar trok dit hoger beroep in nadat het UWV het bestreden besluit had ingetrokken. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat het UWV aan appellant tegemoet was gekomen door het besluit in te trekken.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed, zodat alleen de proceskosten in beroep en hoger beroep nog vergoed moesten worden. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het bedrag van de proceskosten vastgesteld op €4.203,-, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van deze kosten aan appellant. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman, waarbij de griffier verhinderd was te ondertekenen.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, 24/7031 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 juli 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal en een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en nadere vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft antwoord gegeven op vragen van de Raad en op 6 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bestreden besluit van 12 juli 2024 is ingetrokken.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 26 maart 2026 meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het Uwv heeft te kennen gegeven geen gebruik te maken van het recht om op een zitting te worden gehoord en appellant heeft niet gereageerd op de mogelijkheid om van dat recht gebruik te maken. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit.
Aldus is aan appellant tegemoetgekomen. Omdat het Uwv bij het besluit van 6 februari 2026 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2026 met een waarde per punt van € 934,-). Totaal € 4.203,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
(getekend) E.W. Akkerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen.