ECLI:NL:CRVB:2026:950

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
24/2289 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 28 Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 Middelburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid verhuizing

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten en inrichtingskosten vanwege een verhuizing die voortkwam uit herstelwerkzaamheden aan haar huurwoning met stank- en schimmelproblemen. De verhuurder bood tijdelijke alternatieven aan, maar appellante wilde verhuizen vanwege haar zwangerschap en vreesde dat de reparatie geen blijvende oplossing zou bieden.

Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was; de reparatie zou enkele weken voor de uitgerekende datum van de bevalling klaar zijn, waardoor appellante slechts kort tijdens het einde van de zwangerschap elders zou verblijven. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de kosten niet als noodzakelijk konden worden beschouwd.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de timing van de werkzaamheden en haar vrees voor een niet-duurzame oplossing de verhuizing noodzakelijk maakten. De Raad volgde dit niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van noodzakelijke kosten. Hierdoor bleef de afwijzing van de bijzondere bijstand in stand en kreeg appellante geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt bevestigd omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.

Uitspraak

24/2289 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2024, 24/1086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 21 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing en inrichtingskosten. Aan de afwijzing van de aanvraag ligt ten grondslag dat de verhuizing niet noodzakelijk was en dat de met de verhuizing samenhangende kosten dan ook niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Volgens appellante was de verhuizing wel noodzakelijk. Net als de rechtbank geeft de Raad appellante geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Vriend, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Voor appellante is mr. Vriend verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. Francke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft van 1 januari 2022 tot en met 30 september 2022 bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet . Vanaf 1 oktober 2022 tot 1 augustus 2023 heeft appellante studiefinanciering ontvangen.
1.2.
Appellante bewoonde met haar dochtertje sinds 7 april 2022 een huurwoning. In deze woning had zij veel last van stank en schimmel. Na een eerder uitgevoerde herstelpoging zou de verhuurder ([verhuurder]) in september 2023 een uitgebreide reparatie aan de asbestriolering uit laten voeren. Deze reparatie zou ongeveer drie weken in beslag nemen, waarbij appellante geen gebruik zou kunnen maken van het toilet en de keuken. [verhuurder] heeft appellante ter overbrugging van die periode een aantal opties aangeboden, te weten: 1. tijdelijke opvang in een wisselwoning; 2. verblijf in een B&B; 3. een vergoeding van € 250,- per week met als voorwaarde dat appellante zelf voor tijdelijke huisvesting zorgt; 4. een douche-/toiletunit voor de deur. Appellante heeft aangegeven dat zij gelet op haar zwangerschap geen gebruik wilde maken van deze opties, maar de wens had om te verhuizen. [verhuurder] heeft bemiddeld en appellante voorrang gegeven op een andere woning. Appellante heeft deze woning geaccepteerd en op 31 augustus 2023 de sleutel ervan ontvangen.
1.3.
Appellante heeft op 13 juli 2023 in verband met deze verhuizing bijzondere bijstand aangevraagd voor de verhuiskosten, kosten dubbele huur en inrichtingskosten.
1.4.
Met een besluit van 23 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 december 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake was van een noodzakelijke verhuizing, omdat er alternatieven aanwezig waren voor de verhuizing. De kosten die verband houden met de keuze om een nieuwe woning te betrekken, zonder te kiezen voor een door [verhuurder] aangeboden alternatief, kunnen niet op de bijstand worden afgewenteld en moeten voor rekening en risico van appellante worden gelaten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de kosten zich voordoen. Daarnaast heeft de rechtbank – kort weergegeven –overwogen dat uit het dossier blijkt dat de reparatie ongeveer drie weken zou duren en in september 2023 plaats zou vinden. De uitgerekende datum van de bevalling was bepaald op 2 november 2023. De reparatie zou dus enkele weken vóór de bevalling afgerond zijn, waarna appellante terug zou kunnen keren in de woning. Anders dan appellante betoogt, zou ze dus in ieder geval niet tijdens de kraamtijd op een (tijdelijk) adres elders hoeven verblijven maar hooguit een aantal weken tijdens (het einde van) de zwangerschap. Het is goed te begrijpen dat de timing voor appellante allesbehalve ideaal was, maar daarmee is nog geen noodzaak tot verhuizing gegeven. Over haar vrees dat de reparatie niet tot een blijvende oplossing zou leiden is overwogen dat de insteek van de grondige reparatie juist was om het probleem daadwerkelijk te verhelpen. Appellante heeft verder niet concreet onderbouwd dat die vrees reëel was. Ook deze omstandigheid levert daarom geen noodzaak tot verhuizing op en de kosten die daaruit voortvloeien kunnen dus niet als noodzakelijk beschouwd worden. Aangezien de aanvraag is afgewezen omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten, behoeven de overige stappen van artikel 35, eerste lid, van de PW en het beroep van appellante op artikel 28, derde lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 Middelburg geen bespreking meer.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand heeft gevraagd wel noodzakelijke kosten waren. Appellante was hoogzwanger en de herstelwerkzaamheden in de woning zouden uitgevoerd worden op of rondom de uitgerekende datum van de bevalling. Appellante kon daarom niet in de woning blijven tijdens de werkzaamheden. De aangeboden (tijdelijke) opties van [verhuurder] boden daarom geen oplossing. Ook omdat zij vreesde dat de herstelwerkzaamheden niet zouden leiden tot een blijvende oplossing van de overlast, moest zij op korte termijn verhuizen. Zij heeft die vrees ook onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen en geconcludeerd dat de aanvraag om bijzondere bijstand afstuit op het noodzakelijkheidsvereiste en dat aan beoordeling van bijzondere omstandigheden en de nadere uitwerking in de beleidsregels en de daarin opgenomen afwijkingsbevoegdheid dan niet meer wordt toegekomen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel en beleidsregel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Ook in hoger beroep is tussen partijen in geschil of de inrichtingskosten die appellante in verband met haar verhuizing heeft moeten maken, noodzakelijke kosten zijn.
4.2.
Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de onder 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij volstaat hier met verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen en neemt deze overwegingen over. Daaraan voegt de Raad toe dat appellante ter zitting ook heeft erkend dat als geen sprake is van noodzakelijke kosten er geen noodzaak is voor verdere beoordeling.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel en beleidsregel

Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Beleidsregels bijzondere bijstand 2020 Middelburg
Artikel 28, derde lid
Het college kan afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels indien toepassing
hiervan tot onbillijkheden leidt.