ECLI:NL:CRVB:2026:953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Deze zaak betreft de medeterugvordering van bijstand die aan X is verleend, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Breda de kosten mede van appellante heeft teruggevorderd. Het college stelde dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl X dit niet had gemeld, waardoor bijstand ten onrechte werd toegekend op basis van de norm voor een alleenstaande.
Het onderzoek van de gemeente, waaronder waarnemingen, een huisbezoek en verklaringen van beide partijen, toonde aan dat appellante haar hoofdverblijf in de woning van X had, ondanks dat zij ook bij haar ouders stond ingeschreven. De Raad oordeelde dat de aard van de relatie en de reden van samenwoning niet relevant zijn; het zwaartepunt van het persoonlijk leven bepaalt het hoofdverblijf.
De Raad concludeerde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden en dat X zijn meldingsplicht had geschonden. Daarom was het college bevoegd om de bijstandskosten mede van appellante terug te vorderen. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De medeterugvordering van bijstandskosten aan appellante wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.