ECLI:NL:CRVB:2026:953

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
24/2449 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PWArt. 59 PWArt. 17 WSUArt. 30c WSU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding

Deze zaak betreft de medeterugvordering van bijstand die aan X is verleend, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Breda de kosten mede van appellante heeft teruggevorderd. Het college stelde dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl X dit niet had gemeld, waardoor bijstand ten onrechte werd toegekend op basis van de norm voor een alleenstaande.

Het onderzoek van de gemeente, waaronder waarnemingen, een huisbezoek en verklaringen van beide partijen, toonde aan dat appellante haar hoofdverblijf in de woning van X had, ondanks dat zij ook bij haar ouders stond ingeschreven. De Raad oordeelde dat de aard van de relatie en de reden van samenwoning niet relevant zijn; het zwaartepunt van het persoonlijk leven bepaalt het hoofdverblijf.

De Raad concludeerde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden en dat X zijn meldingsplicht had geschonden. Daarom was het college bevoegd om de bijstandskosten mede van appellante terug te vorderen. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De medeterugvordering van bijstandskosten aan appellante wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2449 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 september 2024, 24/331 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 21 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over medeterugvordering van bijstand. Appellante heeft volgens het college een gezamenlijke huishouding gevoerd met X, de vader van haar kinderen, die bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontving. X heeft deze gezamenlijke huishouding niet gemeld bij het college. Het college heeft de van X teruggevorderde bijstand mede van appellante teruggevorderd. Appellante vindt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf bij X had, zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Appellante krijgt hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Appellante en mr. Alaca zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Hyder.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
X ontving sinds 1 mei 2015 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW) met toepassing van de kostendelersnorm. Vanaf 5 maart 2020 woont X op het uitkeringsadres Y te [plaats 1] (gemeente Breda) en ontving hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellante en X hebben samen twee kinderen. Appellante stond in de periode waarover het hier gaat, samen met haar ouders en haar twee kinderen, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres Z te [plaats 2].
1.2.
Naar aanleiding van een melding van een medewerker van de gemeente dat X op 14 januari 2021 vader was geworden van een zoon en op 22 januari 2023 vader was geworden van een dochter, heeft een handhavingsmedewerker van team Naleving van de gemeente Breda een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan X verleende bijstand. De handhavingsmedewerker heeft daarbij eerst een administratief onderzoek verricht. Daarna heeft hij gegevens over het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres Y opgevraagd en in de periode van 1 februari 2023 tot en met 17 maart 2023 en in de periode van 24 maart 2023 tot en met 30 maart 2023 waarnemingen verricht bij dat adres. De auto die blijkens het kentekenregister op naam van appellante staat geregistreerd is tijdens 31 waarnemingen 29 keer waargenomen op het parkeerterrein gelegen achter het appartementencomplex waarvan ook de woning van X deel uitmaakt. Tijdens 6 waarnemingen waren de ruiten van deze auto door de ochtendnevel beslagen dan wel bevroren, waaruit valt op te maken dat de auto daar de gehele nacht of een groot gedeelte van de nacht geparkeerd heeft gestaan. Twee keer is waargenomen dat appellante via de voordeur het appartement verliet en zich op de balustrade begaf. In de periode van 24 maart 2023 tot en met 30 maart 2023 is bij een drietal waarnemingen de auto van appellante aangetroffen op het parkeerterrein. Op 24 maart 2023 heeft de handhavingsmedewerker een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. Appellante en de twee kinderen waren op dat moment in de woning aanwezig. Bij het huisbezoek is een zestal tassen met dameskleding en verzorgingsartikelen voor een vrouw aangetroffen, twee kinderbedjes, een grote hoeveelheid kinder- en babykleding en een kinderbox. Geobserveerd werd dat het tweepersoonsbed door minimaal twee personen was beslapen.
1.3.
Aansluitend aan het huisbezoek heeft de handhavingsmedewerker met X een gesprek gevoerd in het gemeentehuis van de gemeente Breda. X heeft verklaard dat appellante maximaal één à twee nachten per week bij hem verblijft in zijn woning. Zij is dagelijks bij hem op het uitkeringsadres. Hij heeft verklaard niet precies te weten hoe laat ze in de ochtend bij hem komt; hij ligt altijd tot één à twee uur in de middag te slapen en heeft dan de avond daarvoor zijn sleutel aan haar meegegeven. Als hij wakker wordt is zij met de kinderen in zijn appartement. Zij gaat dan tussen 23.00 uur en 03.00 uur weer naar haar eigen woning om de andere dag weer terug te komen. Als appellante bij hem is dan eten zij samen. Zij maakt het eten dan klaar. Appellante wast zijn kleding en doet ook de boodschappen. Hij betaalt de boodschappen. Appellante maakt als zij bij hem is gebruik van de faciliteiten van zijn woning. De handhavingsmedewerker heeft met appellante op 31 maart 2023 een gesprek gevoerd. Appellante heeft verklaard dat zij om het weekend twee nachten in de woning van X op het uitkeringsadres overnacht. Ook gaat zij overdag wel eens met haar kinderen naar X toe omdat hij meer ruimte in zijn woning heeft voor de kinderen. Zij vindt dat X in het leven van de kinderen hoort. Dat vindt zij belangrijk. Zij is overdag gemiddeld drie dagen in de week met de kinderen op het uitkeringsadres. Soms gaat zij heel vroeg naar X, soms wel om halfzeven of zeven uur in de ochtend. In de avond kookt zij dan voor X en de kinderen. Meestal gaat zij rond half acht weer weg. Haar zoontje laat zij wel eens bij hem slapen en gaat rond dat tijdstip naar bed. Als haar zoontje naar bed gaat, gaat zij naar huis. Zij heeft verklaard dat zij een sleutel heeft van de woning van X. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 6 april 2023.
1.4.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van 19 april 2023 (besluit 1) de bijstand van X met ingang van 1 april 2023 ingetrokken. X heeft tegen besluit 1 bezwaar gemaakt. Met een besluit van 5 juni 2023 (besluit 2) heeft het college de bijstand van X over de periode van 1 februari 2023 tot 1 april 2023 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van algemene bijstand tot een bedrag van in totaal € 2.271,76 van X teruggevorderd. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW heeft het college de over de periode van 1 februari 2023 tot 1 april 2023 gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van X mede van appellante teruggevorderd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 2.
1.5.
Met een besluit van 30 november 2023 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de intrekking, terugvordering en medeterugvordering ten grondslag gelegd dat X, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante, die hij, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, niet aan het college heeft gemeld. Door het voeren van een gezamenlijke huishouding heeft hij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellante en X hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.6.
Appellante en X ontvangen sinds 3 april 2023 bijstand naar de norm voor gehuwden op het uitkeringsadres Y.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van X en appellante zich niet richt tegen het bestreden besluit voor zover de bezwaren tegen besluit 1 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft het beroep van X, voor zover hier van belang, niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante, voor zover het de medeterugvordering betreft, is ongegrond verklaard en voor zover het de intrekking en terugvordering van de bijstand van X betreft, niet-ontvankelijk.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover het de ongegrondverklaring van haar beroep betreft. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de medeterugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 februari 2023 tot 1 april 2023 (te beoordelen periode). Over deze periode is de bijstand die van X is teruggevorderd mede van appellante teruggevorderd.
4.2.
Het besluit om de aan X verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen is een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
De grondslag om de gemaakte kosten van bijstand over de te beoordelen periode mede van appellante terug te vorderen, is gegeven in artikel 59, tweede lid, van de PW. In dit artikellid is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellante hier die persoon is, is vereist dat zij in de periode in geding met X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3 van Pro de PW.
4.4.
Een gezamenlijke huishouding wordt op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Vaststaat dat uit de relatie van appellante en X twee kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden, is daarom bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving en de redenen waarom zij de samenleving (nog) niet hebben verbroken, zijn voor de toepassing van de PW niet van belang.
4.5.
Niet in geschil is dat X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op uitkeringsadres Y. In geschil is of appellante in de te beoordelen periode (ook) haar hoofdverblijf had op uitkeringsadres Y.
4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de te beoordelen periode had op uitkeringsadres Y. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.1.
De onderzoeksresultaten bieden een toereikende onderbouwing voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf in de woning van X op uitkeringsadres Y had. Uit de waarnemingen, het huisbezoek en de verklaringen van X en appellante volgt dat appellante in de te beoordelen periode het zwaartepunt van haar persoonlijk leven in de woning van X had. De verklaring voor haar aanwezigheid op het uitkeringsadres maakt dat niet anders. Dat appellante op het uitkeringsadres verbleef omdat X meer ruimte in zijn woning heeft voor de kinderen en appellante vindt dat X in het leven van de kinderen hoort, brengt niet mee dat hij en appellante geen gezamenlijke huishouding voerden. De reden waarom een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en de aard van de onderlinge relatie zijn, gelet op 4.4, in dit verband niet van betekenis.
4.7.
Het staat daarnaast vast dat X niet bij het college heeft gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de van X teruggevorderde kosten van bijstand over de periode waar het hier over gaat mede van appellante terug te vorderen.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de medeterugvordering van appellante van de ten behoeve van X gemaakte kosten van bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) M.J.D. van Haren
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Artikel 59, tweede lid
Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.