ECLI:NL:CRVB:2026:969

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
25/356 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen UWV-beslissing WIA

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure heeft het UWV op 9 maart 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waardoor appellanten hun hoger beroep hebben ingetrokken. Zij verzochten de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in het bezwaar op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat het UWV reeds kosten had vergoed in de bezwaarfase, ging het oordeel alleen over de kosten in beroep en hoger beroep.

De Raad stelde vast dat sprake was van samenhangende zaken en begrootte de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht op in totaal € 3.736,- voor rechtsbijstand en € 386,- voor griffierecht. Vergoeding van eigen bijdragen voor rechtsbijstand werd afgewezen omdat deze niet in het besluit zijn opgenomen.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van deze kosten en bepaalde dat het griffierecht eveneens vergoed moet worden. De uitspraak werd gedaan door H.G. Rottier, in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.736,- en griffierecht van € 386,- na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

25/356 WIA, 25/369 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2025, 23/8157 en 23/8245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 juli 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.H. Remmelink, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Op 9 maart 2026 heeft het Uwv in beide zaken een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellanten hebben de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om verweerschriften in te dienen over de verzoeken om veroordeling in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen verzocht om toestemming om de zaken af te doen zonder een behandeling ter zitting. Partijen hebben niet om een zitting gevraagd. De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellanten hebben de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissingen op bezwaar van 9 maart 2026 aan hun bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Hier is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskosten worden, ingevolge het Bpb, begroot op € 2.802,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 22 april 2024, 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2025, met een waarde van € 934,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). In totaal is dat € 3.736,- voor verleende rechtsbijstand.
Voor zover appellanten ook verzoeken om vergoeding van de eigen bijdrage voor de verleende toevoeging van rechtsbijstand, wijst de Raad deze af. In de bijlage bij het Bpb is namelijk een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend. In vergoeding van de te betalen eigen bijdragen is daarbij niet voorzien.
Wel dient het Uwv het door appellanten in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellanten in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 386,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck