Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:97

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/2839 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WW-uitkering

Appellant was in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die per 4 maart 2023 werd verlengd tot 4 november 2023. Op 13 juli 2023 werd appellant op staande voet ontslagen, waarna hij op 2 augustus 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering indiende. Het UWV kende de uitkering toe, maar stelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden vanwege een dringende reden, waardoor de uitkering niet werd uitbetaald.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde zijn standpunt. Tijdens de beroepsprocedure overhandigde appellant een beschikking van de kantonrechter waarin het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig werd verklaard. Het UWV wijzigde daarop zijn standpunt en stelde dat appellant pas per 1 september 2023 recht op een WW-uitkering kon hebben, omdat de arbeidsovereenkomst niet eerder rechtsgeldig kon worden opgezegd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en wees de aanvraag per 13 juli 2023 af. Appellant ging in hoger beroep met het verzoek alsnog een WW-uitkering per 13 juli 2023 toe te kennen. Het UWV wees erop dat appellant op 14 maart 2025 een aanvraag voor een WW-uitkering per 1 september 2023 had ingediend, die werd toegekend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij het hoger beroep omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en er per 13 juli 2023 geen recht op WW-uitkering kon ontstaan. Schade over de periode tussen 13 juli en 1 september 2023 kon in een andere procedure worden behandeld. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2024, 24/198 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of appellant procesbelang heeft bij het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv aan appellant per 13 juli 2023 terecht geen WW-uitkering heeft toegekend, omdat de arbeidsovereenkomst van appellant niet eerder dan per 1 september 2023 rechtsgeldig kon worden opgezegd. De Raad komt tot het oordeel dat appellant geen procesbelang heeft.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 oktober 2025. Voor appellant is mr. Z. Eker, kantoorgenoot van mr. Fakiri, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant was per 4 maart 2022 in dienst als chauffeur bij [ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Met ingang van 4 maart 2023 is deze arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van acht maanden en geëindigd op 4 november 2023. In de arbeidsovereenkomst was een beding van tussentijdse opzegging opgenomen.
1.2.
Op 13 juli 2023 heeft de ex-werkgever appellant op staande voet ontslagen. Op 2 augustus 2023 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Bij besluit van 25 augustus 2023 (primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat appellant per 13 juli 2023 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens het Uwv ligt aan de werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv is bij zijn standpunt gebleven dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde gedragingen een dringende reden voor ontslag vormen, waardoor appellant verwijtbaar werkloos is geworden.
1.4.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Tijdens de procedure in beroep heeft appellant een beschikking van de kantonrechter te Noord-Holland van 11 januari 2024 overgelegd. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat het ontslag op staande voet van appellant niet rechtsgeldig was. De kantonrechter heeft om deze reden aan appellant een billijke vergoeding ter hoogte van € 10.750,76 bruto, een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 2.459,87 bruto en een transitievergoeding ter hoogte van € 1.226,75 bruto toegewezen, waarbij voor de transitievergoeding rekening was gehouden met de door de werkgever ten onrechte niet in acht genomen opzegtermijn die liep tot 1 september 2023. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan zijn standpunt gewijzigd. Het Uwv meent dat appellant per 13 juli 2023 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat er per die datum geen recht op een WW-uitkering is ontstaan. Volgens het Uwv kan appellant per 1 september 2023 een aanvraag om een WW-uitkering indienen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het primaire besluit van 24 augustus 2023 herroepen en bepaald dat de aanvraag voor een WW-uitkering per 13 juli 2023 wordt afgewezen. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het herroepen primaire besluit. Wegens het gewijzigde standpunt van het Uwv in de beroepsprocedure heeft de rechtbank aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschikking van de kantonrechter van 11 januari 2024 dat het ontslag op staande voet van appellant niet rechtsgeldig was, omdat geen sprake was van dringende redenen. Naar aanleiding van deze beschikking heeft het Uwv zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst van appellant niet eerder dan 1 september 2023 rechtsgeldig kon worden opgezegd, zodat er per 13 juli 2023 geen recht op een WW-uitkering kon ontstaan. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht de WW-aanvraag van appellant per 13 juli 2023 afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zich in het hoger beroepschrift op het standpunt gesteld dat alsnog een WW-uitkering moet worden toegekend per 13 juli 2023, waarbij rekening moet worden gehouden met een fictieve opzegtermijn, en met een eventueel op te leggen maatregel over die fictieve opzegtermijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in een brief van 15 september 2025 nader toegelicht dat appellant op 14 maart 2025 alsnog een aanvraag voor een WW-uitkering per 1 september 2023 heeft ingediend. Het Uwv heeft bij besluit van 2 september 2025 aan appellant per 1 september 2023 een WW-uitkering toegekend.

Het oordeel van de Raad

5. In hoger beroep moet eerst ambtshalve de vraag worden beantwoord of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de aangevallen uitspraak.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak [1] is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
5.2.
Het standpunt van appellant dat nog sprake is van procesbelang omdat ten onrechte geen WW-uitkering per 13 juli 2023 is toegekend, wordt niet gevolgd. Met de beschikking van de kantonrechter van 11 januari 2024 is komen vast te staan dat het ontslag op staande voet van appellant per 13 juli 2023 niet rechtsgeldig was, zodat er per 13 juli 2023 geen recht op een WW-uitkering kon ontstaan. Dat kon, gelet op de systematiek van de WW, eerst per 1 september 2023. Ter zitting heeft appellant dat onderschreven, maar in dat verband gesteld dat er door de verschuiving van de eerste werkloosheidsdag door hem schade is geleden. Voor zover appellant meent schade te hebben geleden over de periode van 13 juli 2023 tot 1 september 2023 wegens onregelmatige opzegging, is voor de beoordeling daarvan in deze procedure geen plaats. Wat de onrechtmatigheid is die door het Uwv zou zijn gepleegd over die periode en welke schade daaruit voor appellant is voortgevloeid, heeft appellant niet duidelijk gemaakt. Voor zover appellant meent door het besluit tot toekenning van de WW per 1 september 2023 schade te hebben geleden, kan hij dat in de thans over dat recht nog bij de rechtbank lopende procedure aan de orde stellen. Nu appellant geen nadere gronden heeft aangevoerd is er geen sprake van een actueel voldoende procesbelang.

Conclusie en gevolgen

5.3.
.Appellant heeft geen procesbelang bij de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.