ECLI:NL:CRVB:2026:971

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
25/1434 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na fysieke en mentale klachten door een auto-ongeluk. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. Appellante betwistte dit en voerde aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is en de geselecteerde functies niet kan vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de psychische klachten adequaat zijn beoordeeld, mede op basis van een afgesloten behandeling en het ontbreken van nieuwe medische gegevens.

Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies passend zijn, wordt onderschreven. Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

25/1434 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2025, 24/2730 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 8 april 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als verzorgende IG voor 31,95 uur per week. Op 10 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke en mentale klachten als gevolg van een auto-ongeluk. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 februari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft vervolgens voor appellante passende functies geselecteerd, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 11,68%. Het Uwv heeft bij besluit van 4 april 2023 geweigerd appellante met ingang van 8 april 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 5 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen en heeft deze beperkingen neergelegd in een FML van 25 januari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een aantal functies laten vervallen, daarvoor in de plaats nieuwe functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 23,91%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Het tijdsverloop van twee maanden tussen het primaire onderzoek en de datum in geding is op zichzelf geen reden om het onderzoek onzorgvuldig te achten. Appellante heeft niet aangetoond dat zich in de tussentijd iets heeft voorgedaan waarmee de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening heeft gehouden. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de bevindingen van de primaire verzekeringsarts stroken met de observaties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft zich kunnen vinden in het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de latere achteruitgang van appellante niet betekent dat deze klachten zijn toegenomen tussen 9 februari 2023 en de datum in geding. De rechtbank is verder van oordeel dat noch de psychische noch de fysieke beperkingen van appellante zijn onderschat. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weinig beperkingen heeft aangenomen. Volgens appellante is zij volledig arbeidsongeschikt en niet in staat de geselecteerde functies uit te oefenen. Het is onzorgvuldig dat het primaire onderzoek heeft plaatsgevonden twee maanden voor de datum in geding. Appellante betwist dat uit onderzoek zou blijken dat zij in staat is te werken. Gelet op haar psychische en fysieke situatie is werk voor haar niet mogelijk, zeker niet acht uur per dag en 40 uur per week. Er is sprake van forse slaapproblemen en pijnklachten, waardoor aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Volgens appellante is de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ten onrechte en in strijd met de beschikbare medische informatie van uitgegaan dat ten tijde van de datum in geding geen sprake zou zijn van ernstige psychische problematiek.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel.
5.3.
Over de gestelde psychische klachten wordt nog het volgende overwogen. Uit de brief van 31 mei 2022 van GZ-psycholoog J. Las blijkt dat appellante sinds november 2021 bij haar in behandeling is geweest en dat de behandeling met goed gevolg is afgesloten. In de brief is vermeld dat de herbelevingen door EMDR snel zijn afgenomen, dat de stemming van appellante bij afsluiting van de behandeling goed is en dat zij de toekomst positief inziet. De psycholoog heeft bij afsluiting van de behandeling geconcludeerd dat er geen diagnose meer van toepassing is en dat de doelen van de behandeling zijn gehaald. Sinds de afsluiting van deze behandeling in mei 2022 is appellante niet meer onder behandeling voor haar psychische klachten. Daarnaast hebben de verzekeringsartsen van het Uwv tijdens het spreekuur en de hoorzitting bij psychisch onderzoek geen ernstige psychische problematiek geconstateerd en is met de stemmingsklachten rekening gehouden in de FML. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten of nieuwe medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv ten tijde van de datum in geding. De Raad ziet daarom geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellante een WIAuitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer