ECLI:NL:CRVB:2026:972

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
25/1417 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, Wet WIAArt. 56 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een eerdere beëindiging per 4 juli 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde de uitkering omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren toegenomen.

Appellante voerde aan dat haar pijn- en psychische klachten waren toegenomen en dat het UWV haar overgangsklachten onvoldoende had meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was. Er was geen objectieve medische informatie die een toename van beperkingen aantoonde.

De Raad wees het verzoek om een deskundige te raadplegen af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Hierdoor blijft de weigering van de WIA-uitkering in stand en krijgt appellante geen vergoeding voor proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.

Uitspraak

25/1417 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2025, 24/3212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante met ingang van 19 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 4 juli 2021 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen vanwege haar pijn- en psychische klachten dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 13 uur per week en als cateringmedewerkster voor 22,25 uur per week. Op 27 april 2010 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van 24 april 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,07%. Per 24 oktober 2013 is de uitkering omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Met ingang van 6 november 2017 is de WIAuitkering die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2021 is de WIA-uitkering per 4 juli 2021 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan liggen rapporten van verzekeringsartsen van het Uwv en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 april 2021 ten grondslag. In deze FML zijn zowel voor psychische klachten als voor fysieke klachten meerdere beperkingen aangenomen.
1.2.
Appellante heeft zich op 19 januari 2023 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten. Na onderzoek door een arts van het Uwv, die appellante op een spreekuur heeft gezien en nieuwe medische informatie heeft beoordeeld, heeft het Uwv bij besluit van 14 augustus 2023 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellante niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 4 juli 2021.
1.3.
Bij besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag, die appellante heeft gezien op een hoorzitting en ook nieuwe medische informatie heeft beoordeeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat ook inhoudelijk geen reden is de beoordeling door het Uwv niet juist te achten. De arts heeft bij onderzoek geen toename van medische problematiek kunnen vaststellen. Er is een discrepantie vastgesteld tussen de geconstateerde beperkingen en de klachtenpresentatie. Bij de beoordeling per juli 2021 zijn ruimschoots beperkingen in de FML opgenomen en deze zijn niet gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn de conclusie van de arts niet te volgen. Bij eigen onderzoek is de beweging in beide polsen ongestoord, zijn er geen afwijkingen aan de handen of vingers vastgesteld en er is sprake van een normale beweeglijkheid. Verder is de knijpkracht normaal tot licht afgenomen. Ook de in beroep overgelegde medische informatie van 17 juli 2023 van Calder Werkt en de neurochirurg van 3 augustus 2023 en van de anesthesie-pijnspecialist maakt de beoordeling niet anders. De rechtbank heeft de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 oktober 2024 gevolgd, te weten dat die informatie geen nieuwe inzichten geeft over de belastbaarheid van appellante rond de datum in geding. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te raadplegen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft haar standpunt herhaald dat haar pijnklachten en ook haar psychische klachten zijn toegenomen en dat aanvullende beperkingen, waaronder een urenbeperking, moeten worden aangenomen. Verder heeft het Uwv haar overgangsklachten niet meegewogen en verzuimd haar klachten in onderlinge samenhang te bezien. Appellante heeft verzocht een deskundige te raadplegen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
5.2.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellante op 19 januari 2023 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 16 april 2021, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante.
Medische beoordeling
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft in hoger beroep de gronden in beroep in essentie herhaald. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
Het standpunt van appellante dat sprake is van toename van de fysieke en mentale klachten wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft in dit verband terecht opgemerkt dat in de FML van 16 april 2021 al voldoende rekening is gehouden met de psychische kwetsbaarheid van appellante en haar fysieke klachten. Ook heeft het Uwv voldoende inzichtelijk onderbouwd dat geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake was van toegenomen klachten rond de datum in geding.
5.5.
De stelling dat vanwege overgangsklachten van appellante te weinig beperkingen zijn aangenomen, is slechts in algemene zin en niet met objectieve medische informatie ten aanzien van appellante onderbouwd, zodat deze stelling niet worden gevolgd. Ook wordt appellante niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv ten onrechte niet alle klachten in hun onderlinge samenhang heeft bezien. Het Uwv heeft terecht opgemerkt dat de (verzekerings)artsen van het Uwv alle door appellante genoemde klachten hebben beoordeeld en mede op basis van de informatie van de behandelend sector tot hun conclusies zijn gekomen. Dat daarbij onvoldoende acht is geslagen op samenhang van de klachten is niet gebleken.
5.6.
Aangezien er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv wordt het verzoek om een deskundige te raadplegen afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in de aangevallen uitspraak de rechtbank onder overweging 7 heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht appellante per 3 juni 2023 een ZWuitkering heeft geweigerd. De Raad neemt aan dat dit een vergissing is en dat de rechtbank heeft bedoeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 19 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer