ECLI:NL:CRVB:2026:978

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
24/1866 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid inhouding derdenbeslag op AOW-pensioen door Sociale Verzekeringsbank

Appellant ontvangt een AOW-pensioen waarop op 21 juli 2022 executoriaal derdenbeslag is gelegd door een incassobureau namens het gemeentelijk belastingkantoor Munitax vanwege een openstaande schuld. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft vervolgens het beslagbedrag van €151,39 ingehouden op de AOW-uitkering van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, maar dit bezwaar werd door de Svb niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet duidelijk had aangegeven tegen welke beslissing het bezwaar was gericht.

De rechtbank Gelderland oordeelde dat de Svb binnen het kader van het beslag is gebleven en dat zij niet bevoegd is de geldigheid of omvang van het beslag te beoordelen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en vernietigde het besluit van de Svb dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat de Svb rechtmatig heeft gehandeld door het beslagbedrag in te houden en af te dragen ten behoeve van de schuld aan Munitax. Het feit dat Munitax later een deel van het bedrag heeft terugbetaald, verandert hier niets aan. Ook de door appellant aangevoerde vermoedens van partijdigheid van de rechtbank worden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb rechtmatig heeft gehandeld door het derdenbeslag op het AOW-pensioen uit te voeren.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1866 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2024, 23/1330 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 23 juli 2026

SAMENVATTING

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat de Svb binnen het kader van het beslag is gebleven.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 15 april 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.
Appellant heeft verzocht om wraking van de behandeld rechter. Met een beslissing van 7 mei 2026 heeft de wrakingskamer beslist dat dit verzoek niet in behandeling wordt genomen.
De Raad heeft de zaak verder behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Pinar.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt een AOW-pensioen [1] . Op 21 juli 2022 heeft [naam incassobureau] executoriaal derdenbeslag gelegd op het AOW-pensioen van appellant. Daarbij is vermeld dat de vordering € 151,39 bedraagt en is de beslagvrije voet vermeld. Aanleiding voor het derdenbeslag is een schuld die appellant heeft aan gemeentelijk belastingkantoor Munitax .
1.2.
De Svb heeft met een besluit van 17 augustus 2022 aan appellant laten weten dat ter uitvoering van het derdenbeslag over augustus 2022 een bedrag van € 151,39 op zijn AOWpensioen wordt ingehouden.
1.3.
Appellant heeft dit besluit aan de Svb retour gezonden en daarbij opgemerkt dat de inhouding onterecht is en inmiddels een deel van het bedrag door Munitax is terugbetaald. Appellant heeft desgevraagd op een later moment aan de Svb te kennen gegeven in algemene zin bezwaar te maken.
1.4.
Met een besluit van 15 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant niet heeft aangegeven tegen welke beslissing hij bezwaar maakt. Verder is volgens de Svb geen beslissing genomen waartegen hij bezwaar kon maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2022 ongegrond te verklaren. De rechtbank overweegt dat de Svb volledige medewerking aan het beslag moet geven en de geldigheid en de omvang van het beslag niet mag beoordelen. De Svb is bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag gebleven. De Svb heeft het bedrag van € 151,39 overeenkomstig het door [naam incassobureau] gelegde beslag ingehouden en afgedragen ten behoeve van voldoening van de schuld van appellant aan Munitax . Dat Munitax daarna een deel van het bedrag van het beslag aan appellant heeft terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Als appellant meent recht te hebben op verdere terugbetaling, moet hij zich daarvoor tot Munitax wenden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat appellant niet te spreken is over de handelwijze en de wijze van bejegening door de Svb, niet maakt dat het besluit van 15 februari 2023 onrechtmatig is. Appellant kan over de handelwijze en wijze van bejegening een klacht indienen bij de Svb.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Appellant heeft voor het eerst ter zitting van de Raad van 9 juli 2026 aangevoerd dat mogelijk een band tussen de behandeld rechter van de rechtbank en de daar ter zitting verschenen vertegenwoordiger van de Svb bestaat. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zij dezelfde achternaam hebben. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat de behandeld rechter bij de rechtbank niet onafhankelijk was, slaagt deze beroepsgrond niet omdat daarvoor het aangevoerde onvoldoende is.
4.2.
Verder heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat de Svb navraag had moeten doen over de beslaglegging en terugbetaling en hem daarover had moeten informeren en dat de Svb dit ten onrechte bij appellant heeft neergelegd. Hiermee herhaalt appellant in wezen de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen dan ook tot het zijne. De Svb is ook volgens de Raad binnen het kader van het beslag gebleven en heeft geen rechtsregels geschonden.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.