ECLI:NL:GHAMS:1994:AA4249
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Smit
- Schaap
- Kwantes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij aandelenbezit in buitenlandse dochtervennootschap
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap en 100% dochter van een Canadese moedermaatschappij, was aandeelhouder van een Amerikaanse dochtervennootschap met verschillende soorten aandelen, waaronder gewone aandelen en preferente aandelen A en B.
Het geschil betrof de vraag of het aandelenbezit aan het einde van het boekjaar 1987/88 nog kon worden aangemerkt als een deelneming in de zin van artikel 13, lid 7, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit was van belang voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de aftrekbaarheid van verliezen.
Het Hof oordeelde dat ondanks de complexe aandelenstructuur en de verschillende rechten verbonden aan de aandelen, het pakket aandelen van belanghebbende nog steeds een deelneming vormde. De strekking van de deelnemingsvrijstelling, gericht op het voorkomen van dubbele belasting, rechtvaardigde geen afwijking van de tekst van de wet.
Daarmee werd het beroep van belanghebbende verworpen en bleef de aanslag onverminderd gehandhaafd. Het verlies op het aandelenbezit was slechts voor het deel aftrekbaar dat betrekking had op de periode waarin sprake was van geen deelneming.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd.