ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4490
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rensema
- Schaap
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Geschil over navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1987 en formele vaststelling aanslag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1987 van ruim ƒ 3 miljoen, opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de vraag of de aanslag binnen de wettelijke termijn was vastgesteld, waarbij belanghebbende stelde dat de formele regels niet waren nageleefd.
Het hof stelde vast dat de inspecteur op 31 oktober 1991 alle essentiële elementen voor de aanslag had vastgesteld en deze op het aangiftebiljet had genoteerd. Hoewel het aanslagbiljet pas later werd opgemaakt en verzonden, had belanghebbende vóór 1 december 1991 schriftelijk kennis gekregen van het vastgestelde belastbare inkomen. Hierdoor was de aanslag tijdig vastgesteld volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Het hof oordeelde dat de navorderingsaanslag feitelijk een primitieve aanslag betrof, ondanks de onjuiste vermelding op het aanslagbiljet. Belanghebbende was hierdoor niet in zijn rechtspositie geschaad. De heffingsrente werd verminderd tot het bedrag en de periode die wettelijk toelaatbaar waren. De aanslag werd verder gehandhaafd omdat belanghebbende geen inhoudelijke bezwaren had aangevoerd.
Tot slot veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en tot terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak werd vastgesteld door de kamerleden Rensema, Schaap en Onnes.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt als primitieve aanslag gehandhaafd met vermindering van de heffingsrente en veroordeling van de inspecteur tot proceskostenvergoeding.