ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7742
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Schaap
- J. Kwantes
- M. Rijkels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging assurantiebelastingheffing bij herverzekeringsovereenkomst tussen moeder- en dochtermaatschappij
Moedermaatschappij B sloot een herverzekeringsovereenkomst met haar dochtermaatschappij A, die in 1998 assurantiebelasting betaalde over de ontvangen verzekeringspremie. De Belastingdienst betwistte dit voor de vennootschapsbelasting met het standpunt dat sprake was van fraudem legis en dat de premie niet aftrekbaar was. A maakte bezwaar tegen de assurantiebelastingheffing omdat de Belastingdienst kennelijk een ander standpunt innam dan voor de vennootschapsbelasting.
Partijen verklaarden unaniem dat er sprake was van verzekeren in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en dat het ontvangen bedrag een verzekeringspremie was. Het Hof oordeelde dat de assurantiebelasting terecht was voldaan en volgde het standpunt dat A de overeenkomst in het kader van haar normale bedrijfsuitoefening had gesloten. De fiscale discussie over de vennootschapsbelasting en de mogelijke fraudem legis werd in deze procedure niet gevolgd.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Belastingdienst. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van consistentie in de fiscale behandeling van verzekeringspremies tussen assurantiebelasting en vennootschapsbelasting.
Uitkomst: Het beroep van A tegen de heffing van assurantiebelasting wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.