ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0430
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Ballegooijen
- Faase
- Meussen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens ontbreken machtiging
Belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989, opgelegd op 31 december 1994, die ook aan zijn toenmalige raadsman F werd uitgereikt. F diende tijdig bezwaar in, maar gaf later aan niet als gemachtigde op te treden. De inspecteur weigerde daarop uitspraak te doen op het bezwaar en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende in 1989 binnenlands belastingplichtig was, gelet op strafrechtelijke veroordelingen en persoonlijke banden met Nederland. Hoewel belanghebbende zich in 1988 uitschreef uit het Centraal Persoonsregister en zijn verblijfplaats verhulde, mocht de inspecteur zich wenden tot F als vertegenwoordiger. Het bezwaar van F was tijdig ingediend, maar onvolledig door het ontbreken van een machtiging.
De inspecteur had echter moeten besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in plaats van weigering van uitspraak. Belanghebbende was psychisch niet in staat om tijdig te reageren, waardoor het latere beroepschrift van februari 2000 tijdig werd geacht. Het Hof vernietigt de besluiten van 9 april 1997 en 5 juni 2000, verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging.