ECLI:NL:GHAMS:2001:AC2678
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Van der Ouderaa
- Goes
- Rechtspraak.nl
Geen bedrijfsfusievrijstelling voor inbreng vaste inrichting in Nederlandse dochtervennootschap
Belanghebbende, een dochtervennootschap van I Plc, bracht het vermogen van haar vaste inrichting in Nederland in een nieuw opgerichte Nederlandse dochtervennootschap, H B.V. Dit betrof de exploitatie van vijf cataloguswinkels die na overname door I Plc werden gesloten. Belanghebbende verzocht om toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling op grond van artikel 14 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De inspecteur wees dit verzoek af, stellende dat geen sprake was van de overdracht van een zelfstandig onderdeel van een onderneming. Belanghebbende voerde aan dat het ging om een overdracht als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet en beriep zich tevens op de Europese fusierichtlijn 90/434/EEG.
Het Hof oordeelde dat de overdracht niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 14, vierde lid, omdat de onderneming feitelijk was beëindigd en de activiteiten waren stilgelegd. De inbreng betrof geen zelfstandig deel dat op eigen kracht kon functioneren, noch een tak van bedrijvigheid in de zin van de Richtlijn. De stukken die belanghebbende ter zitting overlegde, mochten worden meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van de overdracht van een zelfstandig onderdeel van een onderneming.