ECLI:NL:GHAMS:2001:AD5072
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Schaap
- J. van Loon
- J. Rensema
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over uitgestelde huurbetaling met rentevergoeding
Belanghebbende verhuurde in 1995 een onroerende zaak aan zijn eigen vennootschap X B.V. waarbij een deel van de huur (185.000 gulden) pas betaalbaar is gesteld per 1 januari 2023, vermeerderd met samengestelde rente van 7% tot een bedrag van ruim 1,1 miljoen gulden. De inspecteur corrigeerde het belastbaar inkomen door dit uitgestelde bedrag als inkomen in 1995 aan te merken.
Belanghebbende voerde aan dat het nominale bedrag pas in 2023 betaalbaar is en dat sprake is van een contante waarde berekening, geen rentevergoeding, en dat het inkomen dus niet in 1995 genoten is. Subsidiair stelde hij dat het belastbaar worden van dit bedrag afhankelijk is van een ontbindende voorwaarde die pas in 2023 vervuld wordt. Tevens stelde hij beroep op opgewekt vertrouwen vanwege een vergelijkbare regeling uit 1993.
Het hof oordeelde dat het bedrag van 185.000 gulden in 1995 als genoten inkomen moet worden aangemerkt conform artikel 33 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De ontbindende voorwaarde leidt niet tot uitstel van het belastbaar worden. Het beroep op opgewekt vertrouwen faalt omdat de inspecteur destijds niet de volledige nominale waarde als niet belast aanmerkte. De stelling van schijnhandeling door de inspecteur werd door het hof niet gevolgd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd. Proceskosten worden niet aan een partij opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over 1995 blijft gehandhaafd.