ECLI:NL:HR:2003:AF5824
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale behandeling van uitgestelde huurvordering tussen directeur en eigen BV
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, verhuurde vanaf 1 januari 1995 een bedrijfspand aan zijn BV. In de huurovereenkomst werd overeengekomen dat een deel van de huur (ƒ185.000) pas per 1 januari 2023 betaalbaar zou zijn, mits dit niet eerder tot belastingheffing zou leiden. De BV nam in haar jaarstukken over 1995 een voorziening op voor deze uitgestelde huur.
De Inspecteur legde voor 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, die na bezwaar werd verminderd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende tegen deze aanslag ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de vordering van ƒ185.000 in 1995 rentedragend is geworden en derhalve als genoten huur moet worden beschouwd volgens artikel 33 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964.
De overige klachten van belanghebbende worden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de uitgestelde huurvordering in 1995 als genoten huur geldt.