ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9695
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Koolschijn
- Ingelse
- Van Wijnen-Vergeer
- Rechtspraak.nl
Vergoeding van kosten rechtsbijstand na vrijspraak en intrekking toevoeging
Verzoeker vroeg vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met een strafzaak waarin hij werd vrijgesproken. Het hof bevestigde dat het verzoek ontvankelijk was, mede omdat de zaak pas definitief was afgesloten na het verstrijken van de cassatietermijn.
Het hof overwoog dat het niet verplicht is om een verleende toevoeging te gebruiken en dat het niet gebruiken daarvan niet betekent dat de gemaakte kosten onredelijk zijn. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding worden toegekend als de kosten en het inroepen van rechtsbijstand redelijk waren.
De advocaat van verzoeker had werkzaamheden verricht op basis van een toevoeging, maar verzoeker had ervoor gekozen de advocaat zelf te betalen. Het hof stelde dat in dergelijke gevallen verklaringen van verzoeker en advocaat nodig zijn om te waarborgen dat er geen dubbele declaraties plaatsvinden.
Na overlegging van de benodigde documenten en verklaringen besloot het hof verzoeker een vergoeding toe te kennen van € 6.694,76 voor de advocaatkosten en € 1.125,- voor het opstellen en toelichten van het verzoekschrift. De beschikking werd uitgesproken door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 januari 2002.
Uitkomst: Verzoeker wordt een vergoeding van € 6.694,76 en € 1.125,- toegekend voor gemaakte advocaatkosten en proceskosten.